Een oorlog van vorsten en klompenmakers
De Nederlandse klompenindustrie beleefde
tijdens de Eerste Wereldoorlog goede tijden.
Naast een behoorlijke vraag zijn er goedkope arbeidskrachten: Geïnterneerde Belgische
vluchtelingen worden tewerk gesteld in de klompenindustrie. In die periode wordt ook
getracht nieuwe fabrieken te stichten.
Maar elke zaak heeft
meer dan één kant. De
verschrikkingen van de oorlog, die zich buiten onze landsgrenzen afspeelt, ontlokken
onze vaderlandse pers cynisch commentaar: de enige die er baat bij hebben, zijn
de verschillende vorsten ... en de opperste klompenmakers der diverse landen.
Overigens hadden de klompenmakers ook een probleem: het hout werd erg duur. Goed
klompenhout werd soms verkocht als brandhout tegen een prijs, die de klompenmakers
er onmogelijk voor konden geven.
Naoorlogse malaise
Na de oorlog braken er echter moeilijke tijden aan, waaraan meerdere factoren
ten grondslag lagen.
Allereerst gingen langzamerhand steeds meer mensen ertoe over om leren schoenen
of laarzen te dragen.
Maar er waren ook internationale factoren: een invoerstop in Duitsland en hevige
concurrentie uit België, waar de lonen beduidend lager waren dan in Nederland.
Bovendien werd er Nederlands populierenhout goedkoop geëxporteerd - te goedkoop
naar de zin van de klompenmakers, waarvan vele nog een grote voorraad duur
ingekocht hout hadden liggen. Zo kon het gebeuren, dat er een ongelooflijk grote
hoeveelheid klompen op afnemers lagen te wachten. Men kon rustig adverteren met
kreten als: "uit voorraad leverbaar - in elke hoeveelheid".
De klompenbranche vraagt in deze gecompliceerde situatie
hulp van de regering.
Nationale trots in gevaar

De manier
waarop er over de klompenindustrie ("onze klompenindustrie")gesproken wordt, getuigt
van
enig chauvinisme.
Maar de klompenindustrie neemt een ereplaats in onder onze industrieën! In België
worden ook wel klompen gemaakt, maar kwalitatief zijn de Gelderse en Brabantse
klompen toch veel beter. Ze verkopen alleen niet zo goed, omdat ze te duur geproduceerd
worden.
Dat leidde ertoe dat de lonen in de klompenindustrie daalden en er sociale onrust
ontstond.
In eigen land werd door
stillegging van de
productie per december 1919 geprobeerd de regering te bewegen invoerheffingen
toe te passen op buitenlandse klompen of de export van populierenhout te beperken.
Niet alle fabrieken werkten daar aan mee: sommigen werkten door, maar verlaagden
wel de lonen van de klompenmakers. Maar daar dit soort heffingen vooral de minder
draagkrachtigen zouden treffen, wilde de minister daar niet van weten.
De productie werd pas een
half jaar later hervat.
Toen werd het even druk, zodat de werknemers, die voor stukloon werkten, de minister
verzochten de achturige werkdag niet voor hen te laten gelden, omdat anders hun lonen
ontoereikend zouden zijn om hun gezinnen te onderhouden.
Inspanningen om het tij te keren
Maar lang heeft het niet geduurd, voordat de branche weer met teruggang en werkeloosheid
te maken kreeg. Soms was er wel even een opleving, zoals gedurende een periode van
zware regenval, maar dat bracht geen structurele oplossing.
Toch werd er alles aangedaan om het tij te keren. De klompenbranche zelf nam maatregelen:
men probeerde nieuwe
afzetmarkten te creëren
of om te bezuinigen op de productiekosten door mechanisatie van het productieproces.
Vertegenwoordigers uit de klompenbranche reisden naar Amerika om te proberen daar
een afzetmarkt te creëren. Tevergeefs. Om te beginnen gooide een havenstaking in
Rotterdam roet in 't eten, maar uiteindelijk was de conclusie ook, dat Amerika geen
markt voor klompen was.
Zelfs productvernieuwing stond op het programma: klompen die je van dichtbij moest
bekijken om te zien dat het geen schoenen, maar klompen waren ....
Een mooi initatief was ook, om de minister te vragen voortaan het Nederlandse leger en
de marine op Hollandse klompen te laten lopen.
Ook probeerde men op de
wereldmarkt goedkoop
hout te betrekken, uit Roemenië, Rusland, Polen en Suriname bijvoorbeeld, maar de
transportkosten gooiden roet in het eten.
Zelfs werd het creatieve idee naar voren gebracht om, ter bevordering van de export
naar Duitsland, de valutaproblemen te omzeilen door een soort ruilhandel op te zetten,
waarbij Duitse afnemers van klompen betalen aan Duitse exporteurs van andere goederen
en de klompenmakers betaald worden door Nederlandse importeurs van Duitse producten.
Overheidssteun?

Wie de kranten uit de jaren twintig en dertig doorbladert, komt voortdurend de discussie
tegen om de klompenmakers met
overheidssteun
tegemoet te komen. Hetzij door - zoals in België - de gulden in waarde te laten dalen,
hetzij door de heffing van invoerrechten op klompen. Maar de opeenvolgende regeringen
zijn unaniem in hun weigering de industrie te steunen. Veel meer zouden de
klompenfabrikanten zich moeten inspannen de productiekosten omlaag te brengen en de
distributie van hun producten te verbeteren.
In 1928 besluit de regering toch iets te doen. Weliswaar worden de (hernieuwde)
voorstellen voor een invoerheffing, desnoods een tijdelijke, afgewezen, maar de
regering trekt wel ƒ 4.000 uit om een
promotiefilm
voor de Nederlandse klompenindustrie te maken. Maar het volk kon gerust zijn: er zou
zeker niet teveel geld aan uitgegeven worden en zo kon men al gauw in de bioscoop
als voorfilm deze ongetwijfeld interessante rolprent bekijken. Maar of deze lofzang
op dit typisch Nederlandse product veel zoden aan de dijk zette …? De roep om
overheidssteun zou tot diep in de jaren dertig blijven klinken - evenals de klachten
over de "oneerlijke" concurrentie uit België, waar men zelfs delinquenten uit de
jeugdgevangenissen gebruikte als
goedkope arbeidskrachten!

Het Vaderland, 20 augustus 1927
Bedrijfssluitingen
Al met al was het dus niet verwonderlijk, dat er in de loop der jaren voortdurend
fabrieken gesloten werden of - zelfs
als ze nog maar net geopend waren - te koop werden aangeboden, soms met als
verkooppraatje: "ook geschikt voor houtbewerking, wasscherij, enz."
Ook werd er naar nieuw kapitaal gezocht. Wie geld had kon makkelijk
directeur of compagnon
worden van een klompenfabrikant. sheet 15
Branden
Opmerkelijk is, dat in de jaren twintig en dertig met enige regelmaat klompenfabrieken
afbranden. Minstens even opmerkelijk is het, dat deze berichten uit de uithoeken van
ons land de grote landelijke kranten halen!
Om maar een greep te doen: Diepenveen (1925),
Varsseveld (1929), Leeuwen (1930), Ameide (1932), Stevensweert (1933), Apeldoorn (1935),
Best en Schijndel (1936), Doetinchem (1937).
Goede tijden? Slechte tijden?
Als in 1939 in diverse delen van Europa de oorlog uitbreekt, wordt leer een schaars
artikel. Er vertonen zich in de klompensector
tekenen van herstel
en de vertegenwoordigers van de branche herinneren eraan, dat de jaren 1914-1918 voor
de klompenmakerij ook niet de slechtste waren ... Had men echt geen idee wat de
oorlog verder zou brengen?

Het Vaderland, 4 juli 1940
Deze trend zet zich tijdens de oorlog voort en in de kranten uit die tijd vind je
dan ook jubelende verhalen over deze vitale sector, die in deze moeilijke tijd zo
goed presteert.
v/h Klein Haneveld & Smits
In de boven beschreven periode oefende Johannes Klein Haneveld te Twello zijn beroep als
klompenmaker uit, zoals zijn vader Jan Klein Haneveld vóór hem gedaan had.
Op 21 mei 1909 kochten Johannes en de boomkweker Mattheüs Adrianus Smits,
woonachtig aan de Snippeling bij Deventer een klompenfabriek aan de Snippeling. Deze
fabriek voerde de naam
"Klein Haneveld & Smits".
Op 6 mei 1916 richtten ze, samen met H. Kuik uit Wildervank de "N.V. Klompenindustrie
v/h Klein Haneveld & Smits" op. Op dat moment bezit Johannes Klein Haneveld ook nog zijn
klompenmakerswerkplaats te Twello.
In de nacht van 22-23 januari 1925 brandt de fabriek geheel af. Op 7 maart 1931 treedt
Christoffel Johannes Zonneveld als directeur toe tot het bedrijf. Maar het is niet
voldoende om de algehele malaise het hoofd te bieden. Op 9 februari 1932 wordt de
klompenfabricage stopgezet. Het bedrijf gaat dan verder als klompenhandel. Het
vestigingsadres wordt statutair gewijzigd in Wilhelminastraat 15 te Oosterbeek, het
woonadres van mededirecteur C.J. Zonneveld. Het faillissement volgt op 17 maart 1933.