Wanneer de schrijver van de Hebreeënbrief engelen naast de Zoon van God zet,
haalt hij de Psalmen aan en past deze teksten toe op Jezus
(Hebreeën 1:10-12).
Maar wie deze teksten in het Oude Testament leest, is verrast te ontdekken, dat ze
gaan over יהזה (JHWH)
(Psalm 102:22-29).
Hij is de enige Schepper (Jesaja 45:18).
Het Wachttorengenootschap probeert ons te laten geloven, dat Jezus niet de Schepper
is, maar een schepsel. Daarbij worden twee argumenten gehanteerd:
in Openbaring 3:14
wordt Hij aangeduid als het eerste en belangrijkste schepsel.
Als er gezegd wordt dat God de wereld door Jezus geschapen heeft, moeten we dat opvatten als: door bemiddeling van.
Het eerste argument is een goedkope poging om een bijbels woord een andere inhoud
te geven, die beter past bij hun eigen verklaring. Maar het Griekse woord "arch�"
dat in deze tekst gebruikt wordt kan "begin" betekenen, maar kan ook even goed
vertaald worden met "oorsprong" (vergelijk Judas :6).
De Willibrordvertaling geeft het ook in Openbaring 3:14
zo weer. En natuurlijk: de Schepper is het begin van alle schepselen. Hij is niet
de eerste van de schepselen, maar de oorsprong van alle geschapen wezens.
Het tweede argument is in strijd met Kolossenzen 1:17,
waar gezegd wordt, dat Hijzelf niet geschapen is, immers: Hij was voor alle dingen.
En alles wat geschapen is, is door Hem geschapen
(Johannes 1:3).
En bovendien kan deze opvatting niet in harmonie gebracht worden met
Jesaja 44:24,
waarin uitdrukkelijk gezegd wordt dat God niemand anders gebruikt of ingeschakeld
heeft om de hemel en de aarde te maken. Toch is dat, wat het Wachttorengenootschap
ons wil laten geloven: God schiep eerst zijn Zoon als een Engel en daarna schiep
Hij door deze Engel al het andere.
2. Jezus is de Verlosser
Het Griekse woord voor verlosser, is "soter". Het wordt 22 keer gebruikt in het
Nieuwe Testament. Tenminste 14 keer heeft het daarbij betrekking op Jezus. Een
enkele keer wordt gesproken over : "God, onze Verlosser". In een enkel geval lijkt
het duidelijk, dat de schrijver gedacht heeft aan God, de Vader.
In het Oude Testament wordt gezegd, dat er geen Verlosser is buiten JHWH
(Jesaja 43:11).
Dit houd in, dat er geen werkelijk onderscheid is tussen de Vader en de Zoon. Ze
zijn ��n, wat wil zeggen: ze delen ��n en dezelfde natuur en zijn van gelijke rangorde.
Samen en afzonderlijk zijn zij God.
Zou het voor de Ene en Enige God te moeilijk zijn om zichzelf te openbaren als meer
dan ��n persoon? Onze regering spreekt ook bij monde van verschillende personen,
die elk een eigen beleidsterrein en verantwoordelijkheid hebben. Maar als zij naar
buiten treden, vertegenwoordigt ieder van hen de regering en als ��n van hen spreekt,
spreekt 'de regering'.
Het Wachttorengenootschap probeert afstand te scheppen tussen de Vader en de Zoon,
zowel in natuur als in rangorde. Maar als de Bijbel beiden aanspreekt als God,
creëert men een soort polytheïsme als men tegelijkertijd de gedachte aan Drie-eenheid
verwerpt.
3. Jezus is God
De unieke positie van Jezus
De bijbel gebruikt twee uitdrukkingen om de Heer Jezus te beschrijven: de Eerstgeborene
en de eniggeboren Zoon. Volgens het Wachttorengenootschap wijzen deze woorden
erop, dat Jezus niet de gelijke is van de Vader, niet in wezen en niet in rang,
omdat vaders nu eenmaal boven hun zoons geplaatst zijn.
Maar hebben deze woorden "geboren" in de Bijbel dezelfde betekenis als in ons dagelijks
taalgebruik?
De Eerstgeborene
David wordt aangeduid als de "eerstgeborene"
(Psalm 68:28).
Het heeft niet met zijn geboorte in het gezin van Isaï te maken, want daarin was hij
de 8e zoon.
In de context wordt David geplaatst temidden van andere koningen. Hij is "de hoogste
van de koningen der aarde". Onder hen is hij de "eerstgeborene".
Is er dan een familierelatie tussen David en de andere koningen? Of is God (in
letterlijke zin) Davids vader? Natuurlijk niet. De uitdrukking verklaart Davids
positie ten opzichte van de andere koningen.
De Eniggeboren Zoon
De uitdrukking "eniggeboren" wijst in dezelfde richting en openbaart ons het unieke
van onze Heer. Let erop dat er in de Nestle-tekst van het Nieuwe Testament in
Johannes 1:18
letterlijk staat: monog�n�s theos (eniggeboren God). De Willibrodrvertaling geeft dat
ook letterlijk zo weer. De New International Version maakt er van: "But God, the
only (Son)", waarbij de haakjes aangeven dat er om het begrijpelijk Engels te maken
iets moet worden tussengevoegd.
Voeg dit bij de vele uitspraken die de Here Jezus aanduiden als God (o.a.
Romeinen 9:5
zonder lidwoord; Hebreeën 1:8
met lidwoord) en de slotsom moet zijn, dat Jezus God is.
De unieke daden van Jezus
De Heer Jezus heeft Zelf niet rechtstreeks gezegd: "Ik ben God". Dat is waar, maar
ook heel begrijpelijk in het licht van
Filippenzen 2:5,6:
Hij heeft Zichzelf ontledigd.
Dit betekent dat Hij tijdens zijn leven op aarde volkomen mens was en als zodanig
onderworpen aan zijn Vader, wachtend op diens aanwijzingen en opdrachten.
Maar al zegt Jezus niet dat Hij God is, er zijn in het Nieuwe Testament legio aanwijzingen
dat Hij God is. E�n daarvan is het feit, dat Hij macht had om zonden te vergeven
(Marcus 2:5-7).
Maar ook de macht die Hij had over de natuur en het vermogen om te scheppen wijzen
in die richting. Want waar kwam de wijn in Kana vandaan? Waar is het brood gebakken,
dat door duizenden mensen gegeten werd? En Hij bewees macht over de natuur te
hebben � de wind moest zijn stem gehoorzamen, de golven droegen Hem op zijn bevel.
En niet in het minst: Hij noemde God zijn eigen Vader. Zijn tijdgenoten wisten wat
dat betekende: Hij verklaarde daarmee de gelijke van God te zijn
(Johannes 5:18).
In de gedaante van God
Hoewel de Bijbel nadrukkelijk spreekt over het feit, dat Jezus aan God gelijk is,
wil het Wachttorengenootschap ons laten geloven, dat Jezus oorspronkelijk alleen
"in Gods gedaante" bestond, maar niet aan God gelijk was of wilde worden
(Filippenzen 2:6).
De "Nieuwe Wereldvertaling" van het Wachttorengenootschap leest de tekst als volgt:
"Christus Jezus ..., die alhoewel hij in Gods gedaante bestond, geen gewelddadige
inbezitneming heeft overwogen, namelijk om aan God gelijk te zijn."
De Jehova's getuigen leggen dit als volgt uit:
Hoewel Christus een aantal
goddelijke hoedanigheden had, was Hij niet gelijk aan God en Hij heeft die
gelijkheid aan God ook niet nagestreefd of willen stelen. Daarmee handelt de laatste
Adam anders dan de eerste, die probeerde aan God gelijk te zijn. Jezus koos voor
de weg van de nederige gehoorzaamheid en werd uiteindelijk verhoogd tot een
gelijkheid die hij voorheen niet had.
NBV vertaalt: Hij die de gestalte van God had, hield zijn gelijkheid aan God niet vast,
maar deed er afstand van. NBG51 en SV lezen bijna gelijkluidend: "... Christus Jezus ..., die, in de gestalte
Gods zijnde, het Gode gelijk zijn niet als een roof heeft geacht, maar zichzelf ontledigd (vernietigd) heeft"
Je zou dat als volgt kunnen omschrijven: "Hij was God en bekleedde die positie niet
wederrechtelijk".
Het Griekse woord voor 'gestalte' is: 'morph�'. Dit woord betekent volgens het
woordenboek: dat wat wezenlijk eigen is aan iets. Het gaat niet om de
verschijningsvorm, het uiterlijk, maar om de meest wezenlijke eigenschappen, die
bepalend zijn voor iets. Wanneer dat hier op Jezus Christus toegepast wordt in
betrekking tot God, betekent dat: de meest wezenlijke eigenschappen of karaktertrekken,
die bepalend zijn voor het God-zijn van God, zijn eigen aan Christus Jezus. Hij
heeft zich die niet wederrechtelijk toegeëigend.
Hoe zou iemand zich trouwens de meest wezenlijke eigenschappen van God kunnen
toe-eigenen? Je kunt nog streven Gods positie over te nemen of soortgelijke macht
uit te oefenen, je kunt nog proberen Hem te imiteren. Dat was bij Adam aan de orde,
die slechts in ��n ding probeerde God te evenaren, namelijk in het kennen van
goed en kwaad. Maar dat raakt niet aan het toe-eigenen van de meest wezenlijke
eigenschappen van God.
Alleen als we zo lezen: Jezus was God, werd mens, ja zelfs een dienaar van mensen,
krijgt de tekst werkelijk zin. Want nu komt de zelfverloochening - de ander uitnemender achten dan jezelf - uit vers 3 in een duidelijk perspectief: dat is de gezindheid van Christus:
Hij was God, maar is een dienstknecht, een slaaf, een mens geworden, om Zich nog verder te
vernederen en de meest smadelijke dood te ondergaan.
In de visie van het Wachttorengenootschap is er geen sprake van zelfverloochening van
Christus. Hij koos ervoor om in de positie te blijven die Hem toekwam en Hij werd beloond
(waarom?) met een gelijkheid die Hij voorheen niet had (en wat mag dat dan wel betekenen?).
De gedaante van God
We moeten ook eens over nadenken wat dat is: in Gods gedaante bestaan of "de
gestalte van God hebben". Betekent het gewoon dat God is of moeten we het verstaan
dat Hij "een God" was? Zo wordt het in de Nieuwe Wereldvertaling wel weergegeven
in Johannes 1:1-3!
Zijn er dan meer goden?
Maar wat zou "in de gestalte van een dienstknecht" betekenen? Dat Hij er uitzag als
een dienstknecht, maar het niet was? Het lijkt toch venzelfsprekend dat het betekent,
dat Hij gewoon een dienstknecht is geworden?
We vinden dus in Filippenzen 2 twee gelijksoortige uitdrukkingen: de gestalte van God ...
de gestalte van een dienstknecht. Wie de tekst uitlegt zoals het Wachttorengenootschap
dat doet, berooft de tekst van z'n betekenis en z'n waarde of erger, die predikt een
vorm van polytheïsme. Maar de Bijbel is op dit punt heel duidelijk: Er is maar ��n
God (Jesaja 43:10).
De ene middelaar
Het Wachttorengenootschap stelt ook, dat Jezus geen Middelaar tussen God en de mensheid
kon zijn, indien Hij God is. Maar daarbij wordt voorbijgegaan aan het gegeven, dat
Jezus zijn goddelijke rechten en het autonome gebruik van zijn goddelijke krachten
opgaf om mens te zijn, geheel afhankelijk van de opdrachten en de leiding van zijn
Vader. Daarom staat er geschreven: "��n middelaar tussen God en de mensen, de mens
Christus Jezus"
(1 Timotheüs 2:5).
Juist omdat Hij zowel God als mens is, kan Hij de scheidsrechter zijn die zijn
handen kan leggen op beide tegenover elkaar staande partijen: God en de mens
(Job 9:33).
Of moeten we dan geloven, dat een engelachtig wezen mens werd? Hoe zou die een
dergelijke functie kunnen bekleden?
De troon van God en van het Lam
Jezus ontving een plaats aan de rechterhand van God
(Hebreeën 10:12).
De Jehova's getuigen zien daarin een bevestiging van hun idee, dat Jezus niet
gelijk aan God is. Maar denk eens aan de troon van God. In
Openbaring 22:3
wordt niet gesproken over de troon van God en, ter rechterzijde daarvan, de troon
van het Lam. Dan zou er iets moeten staan als: de tronen van God en het Lam.
Er is maar ��n troon: de troon van God en van het Lam. De Allerhoogste
God, die zijn eer niet met een ander deelt
(Jesaja 42:8),
deelt zijn glorie met het Lam. Precies zoals gezegd werd dat de Vader wil dat wij
de Zoon eren met dezelfde eer waarmee we de Vader eren
(Johannes 5:23).
De conclusie moet wel zijn, dat Jezus God is. Er is geen wezensverschil tussen de
Zoon en de Vader; het zijn verschillende openbaringswijzen van die ene God.
4. Jezus is יהזה
In Romeinen 10:13
wordt gezegd: "ieder die de naam van de Heer aanroept, zal behouden worden".
In de Romeinenbrief gaat het, net als in de overige brieven van Paulus, overduidelijk
over het geloof in Jezus als Heer. Hij is de inhoud van het evangelie
(Romeinen 1:4;
10:17),
zodat je Hem kunt aanroepen van wie je in de prediking gehoord hebt!
En vergelijk de woorden van Paulus eens met die van Petrus, die tot de mannen van
Israël zegt:
" ... dat door de naam van Jezus Christus, de Nazoreeër (...) deze
hier gezond voor u staat. (.....) En de behoudenis is in niemand anders, want er
is onder de hemel ook geen andere naam aan de mensen gegeven, waardoor wij behouden
moeten worden" (Handelingen 4:10-12).
Maar Paulus citeert in de Romeinenbrief wel uit Joël, die nadrukkelijk sprak over
יהזה (JHWH=Jahwe;
Joël 2:32) als degene die redt.
Even merkwaardig is Filippenzen 2:11,
waar gezegd wordt dat in de naam van Jezus zich alle knie zal buigen en dat
iedereen zal erkennen, dat Jezus Heer is. Dit sluit aan op
Jesaja 45:23,24, waarin JHWH zegt, dat Hij God is en dat voor Hem alle knie zich
zal buigen.
Zijn deze dingen strijdig met elkaar? Niet als Jezus en יהזה (Jahwe) identiek zijn.
Maar iemand zou kunnen zeggen, dat er geschreven staat, dat God Jezus tot Here en
tot Christus gemaakt heeft
(Handelingen 2:36).
Dat is zo, maar betekent dat dan, dat Hij die positie voor zijn opstanding en voor
zijn menswording niet had? Zegt het iets over zijn afkomst en wezen?
We moeten in gedachten houden, dat er nadrukkelijk gesproken wordt over de mens
Jezus die gekruisigd zou worden en zou sterven. Hij had zijn goddelijkheid afgelegd
en maakte geen gebruik van zijn goddelijke rechten, noch van zijn goddelijke
kracht, tenzij de Vader Hem dat uitdrukkelijk opdroeg
(Johannes 5:19).
Hij wilde als mens onder de mensen leven en delen in onze zwakheden, uitgenomen de
zonden
(Hebreeën 4:15).
Van deze mens Jezus gezegd wordt, dat Hij gehoorzaamheid geleerd heeft. En nadat
Hij zijn taak in gehoorzaamheid volbracht heeft, heeft de Vader Hem weer verhoogd
en de heerlijkheid gegeven, die Hij al voor de grondlegging der wereld bij de Vader
had
(Johannes 17:5;
Hebreeën 1:10).
Hij heeft de heerlijkheid en de naam terugontvangen die Hem rechtens toekwam. Daarom
was het voor Hem geen roof om aan God gelijk te zijn
(Filippenzen 2:6-7)!
God gaf Hem de naam boven alle naam � kan daarmee een andere naam bedoeld zijn dan
de naam JHWH?
We zagen al, dat als Schepper zowel יהזה (JHWH=Jahwe) als Jezus aangewezen wordt. En ook dat
יהזה zijn eer niet met een ander deelt
(Jesaja 42:8)
terwijl de Vader wil dat de Zoon op gelijke wijze als de Vader vereerd wordt
(Johannes 5:23).
Dit brengt ons bij een laatste punt: de Bijbel vertelt ons over aanbidding die wordt
en zal worden gebracht aan de Heer Jezus. De wijzen uit het Oosten aanbaden
Hem, toen Hij was geboren
(Matteüs 2:11).
De discipelen aanbaden Hem bij de hemelvaart
(Matteüs 28:9, 17).
Gods heilige engelen aanvaarden geen aanbidding van mensen
(Openbaring 19:10).
Al met al zijn er maar twee conclusies mogelijk: Jezus is dezelfde als de persoon
die in het Oude Testament wordt aangeduid als יהזה, de goede herder der schapen,
of hij is een dief en een rover, een bedrieger.