Thematische bijbelstudies
Het Koninkrijk van God



Het herstel van Israël


Weggerukt

Omstreeks zes eeuwen voor het begin van onze jaartelling is er een einde gekomen aan het bestaan van Israël als zelfstandige natie, doordat Nebukadnezar, de koning van Babel, het volk in ballingschap wegvoerde.
Na de terugkeer van een overblijfsel uit die ballingschap heeft het Joodse volk enige honderden jaren in het eigen land geleefd onder de heerschappij van verschillende wereldrijken, totdat het in het jaar 70 na Christus verstrooid werd onder de volken.

Maar wat met geen volk gebeurde, werd voor dit volk werkelijkheid: verspreid onder vele volken is het gedurende vele eeuwen toch nooit in de volkeren opgegaan, maar heeft het de eigen identiteit behouden.
En in de moderne tijd heeft het zelfs weer een eigen land: hetzelfde land waarin het eeuwen geleden eveneens gewoond heeft.

Daar veel bijbelteksten spreken over een toekomst voor dit volk in het eigen land, is het goed de relatie tussen het volk en het land Israël aan de hand van deze teksten te bestuderen.

Voorwaarden voor het bezit van het land

Toen God zijn land aan Israël gaf, nadat Hij het volk door de dienst van Mozes uit Egypte had geleid, heeft Hij hun in een verbond een aantal voorwaarden genoemd waaraan zij moesten voldoen, om in dat land te mogen wonen:
'Indien gij in mijn inzettingen wandelt en nauwgezet mijn geboden in acht neemt...' (1).
'...omdat gij aan deze verordeningen gehoor geeft en ze naarstig onderhoudt, dat de Here, uw God, jegens u het verbond en de goedertierenheid zal bevestigen, die Hij uw vaderen met een eed bekrachtigd heeft;...'(2).
'Indien gij dan aandachtig luistert naar de stem van de Here, uw God, en al zijn geboden, die Ik u heden opleg, naarstig onderhoudt...' (3).
'Indien gij nu aandachtig luistert naar de geboden die Ik u heden opleg, zodat gij de Here, uw God, liefhebt met uw ganse hart en uw ganse ziel...' (4).
'...kies dan het leven, opdat gij leeft, gij en uw nageslacht, door de Here, uw God, lief te hebben, naar zijn stem te luisteren en Hem aan te hangen..' (5).
Het onderhouden van deze voorwaarden was verbonden met rijke beloften van God. Wie de moeite neemt bovengenoemde citaten in hun verband te lezen, ontdekt onder meer deze zegeningen: regenperiodes op de juiste tijden, overvloedige oogsten, vrede, overwinning over de vijanden, talrijk nageslacht, geen onvruchtbaarheid of miskramen bij mens noch dier, bewaring voor ziekten, aanzien onder volken, en een langdurig verblijf in het land.

De verstrooiing onder de volken

God hield zijn volk ook een alternatief voor. Als zij zich niet aan zijn geboden hielden, maar naar eigen inzichten handelden, of, nog erger, de afgoden van de hen omringende volkeren zouden aanbidden, dan beloofde God hen in al die dingen waarin Hij hen wilde zegenen, te vervloeken. De oogsten zouden mislukken, geboorten van mensen en dieren zouden veel minder talrijk zijn, ziekten zouden een zware tol eisen, vijanden zouden hen overweldigen en in ballingschap voeren en zelfs dan zou rampspoed hen achterhalen. Leest u het maar na in Deuteronomium 28:15-68 6. Als zij zich tot andere goden zouden wenden, zou God hen wegrukken uit het land dat Hij hun wilde geven (7).
Deze waarschuwingen zijn in later tijd regelmatig herhaald door de profeten:
'...doordat ieder van u wandelt naar de verstoktheid van zijn boos hart in plaats van naar Mij te horen, daarom zal Ik u wegslingeren uit dit land...' (8).
Lees ook in Jesaja 30:2-17 9; Amos 4:6-13 10; Amos 5:1-3 11, Amos 5:27 12; Micha 6:15,16 13; Sefanja 1:12,13 14.

Steeds weer heeft God laten weten dat Hij niet van gedachten veranderde, maar nauwgezet de bepalingen van het verbond wilde naleven. Hij sprak tot zijn volk zowel door het Woord als door zijn zegen in te houden en hen een klein beetje van de vloek te doen ervaren.

Toen Israël gedurende vele jaren Gods geduld op de proef had gesteld en alle waarschuwingen in de wind had geslagen, heeft God ten laatste zijn dreigementen in daden omgezet. Eerst werden tien stammen in ballingschap naar Assyrië weggevoerd (15). Toen de twee overgebleven stammen zelfs deze waarschuwing in de wind sloegen, werden ook zij uit hun land verwijderd (16).
Toch was deze laatste, de Babylonische ballingschap, nog maar zeer tijdelijk, tenminste voor een deel van het volk. In zijn genade liet God na zeventig jaren een (klein) deel van het volk, ca. 50.000 personen terugkeren, om in het land te wachten op de geboorte van de koning, die gans Israël zou herstellen. Doch toen ook de koning van Israël verworpen werd, moest dit overblijfsel het land in het jaar 70 na Christus weer verlaten.

De terugkeer voorzegd

Al staat de geschiedenis ook vol gebeurtenissen die de ongehoorzaamheid en het ongeloof van het volk Israël aantonen - hoewel er altijd onder hen oprechte gelovigen gevonden werden - en al moest God dat collectieve ongeloof beantwoorden met harde maatregelen, toch blijven er beloften bestaan, die dit volk een geweldige toekomst garanderen.
De eerste van deze beloften is er zelfs ��n die aan geen enkele voorwaarde is verbonden!
God belooft aan Abram zowel een land als een volk (17)! Zo waar als God degene is die Hij zegt te zijn, die belofte zal vervuld worden! Het volk dat uit Abrams lijfelijke zoon (18), uit Isa�k (19), geboren zal worden, zal ook het land dat God Abram gegeven heeft, in bezit nemen.
Bij monde van Mozes, die ook de vreselijke vloek heeft moeten bekend maken, zegt God, dat Hij Israël eens weer zegenen zal. Want al heeft Hij hen weg moeten rukken uit zijn land, Hij verliest hen geen moment uit het oog. Zodra zij zich als volk, gezamenlijk, tot Hem bekeren en tot Hem roepen, zal Hij in hun lot weer een keer brengen. Tevens zal Hij dan hun harten vernieuwen, zodat zij niet meer afwijken van zijn weg, maar de HERE, hun God, bestendig liefhebben (20).

Vele van de profetieën spreken eveneens over deze belofte van God, die zal omzien naar zijn volk. Jeremia geeft daar zelfs een tijdsbepaling bij: 'Zie, de dagen komen, luidt het woord des HEREN, dat ik aan David een rechtvaardige Spruit zal verwekken; die zal als koning heersen.... In zijn dagen zal Juda behouden worden en Israël veilig wonen... (21).
Niemand twijfelt eraan dat deze Spruit de Heer Jezus is, die zal terugkeren naar deze aarde om het volk Israël te verlossen. Bij zijn wederkomst zal Israël uit de volken uitgeleid worden en voor altijd veilig wonen (22).
Op vele plaatsen wordt het herstel van Israël afhankelijk gesteld van hun bekering tot de levende God (23; 24).
Ezechiël tekent hierbij zelfs aan dat zij dan zullen walgen van al hun daden (25)! Het is duidelijk dat deze nationale en collectieve bekering van Israël het resultaat is van Gods genadig ingrijpen en dat het zeker geen vraag blijft of Israël zich ooit wel bekeren zal.

Israël in de eindtijd

Bekering en terugkeer
Nu we de beloften over de terugkeer van Israël naar het land der vaderen bezien hebben, is het ook goed om de gebeurtenissen, zoals die volgens de Bijbel in de eindtijd zullen plaatsvinden, te bestuderen.
Het eerste dat we daaromtrent noemen, is het verbazingwekkende feit, dat niet alles wat geprofeteerd wordt, ook de wil van God is!
Heel duidelijk zagen we Gods wil voor Israël: eerst bekering, dan terugkeer en herstel.

Terugkeer zonder bekering
Maar er zal ook sprake zijn van een terugkeer v��r de bekering. In Ezechiël 37:14 26 wordt het herstel van Israël geprofeteerd. Gods bedoeling was, dat eerst de Geest in de dorre beenderen, de afzonderlijke Israëlieten, zijn werk zou doen, opdat ze tot ��n lichaam, tot ��n natie, zouden worden samengevoegd, waarin Gods Geest kan werken (27). Maar er gebeurt iets anders! De beenderen worden samengevoegd zonder dat de Geest in hen is (28)! Het gaat anders dan God gewild heeft. Op grond hiervan kunnen we verwachten, dat te gelegener tijd er een natie Israël gevormd zal worden, niet door het werk van Gods Geest, maar als resultaat van menselijke inspanningen.

Jacobs benauwdheid
Dan kunnen we ook begrijpen dat er nog een oordeel over Israël komt - een tijd van benauwdheid voor Jakob (29). Gods doel is, dat in deze periode de Israëlieten tot geloof zullen komen. Dat zij uit de benauwdheid tot de Here zullen roepen (30) en Hij hen verlossen zal.
Dit oordeel zal het zwaarst rusten op hen die zich, zonder aan de voorwaarden te voldoen, in het land van God gevestigd hebben. Immers zegt Zacharia niet dat tweederde van het volk dat zich in het land bevindt, zal omkomen (31)?
Dat betekent dat de oordelen op slechts een derde deel van de daar aanwezige Israëlieten de uitwerking zal hebben, die God voor ogen staat: bekering. De meesten willen zelfs dan nog niet luisteren en geloven. Zo krijgt de uitspraak van de Heer Jezus een diepe en verschrikkelijke inhoud: 'Waar het aas is, daar zullen de gieren zich verzamelen' (32).
Een lichaam zonder geest is dood, is aas... Om die reden zegt Jeremia dat de ballingen in zijn dagen nog maar niet terug moeten verlangen naar hun eigen land (33). En hij voegt daaraan toe, dat zij er goed aan doen om dan tenminste in den vreemde naar het woord van de HEER te luisteren (34).

Ze komen van oost en west
Ten tijde dat de Heer het overblijfsel van zijn volk in het land loutert, zal Hij de overigen van zijn volk, die nog in de verstrooiing vertoeven, voeren uit de volken waarheen Hij hen verdreven had. Van de vier windstreken zal Hij hen brengen, zonder er maar ��n achter te laten.
Toch zullen niet allen in het beloofde land komen. Want zoals bij de uittocht uit Egypte de weerspannigen in de woestijn zijn omgekomen, zo zullen ook dan de weerspannigen worden uitgeschift (35). Maar het volk dat dan, door de Geest van God levend gemaakt (36), het land in bezit neemt, zal geheel uit rechtvaardigen bestaan (37).

Twaalf stammen
Bovendien zullen dan niet alleen 'Juda en de Israëlieten die daarbij horen' (38) het land bevolken.
Dat was de situatie sinds de splitsing van het Israëlitische koninkrijk ten tijde van Rehabeam en Jerobeam. Velen uit het noordelijke tienstammenrijk liepen over naar het tweestammenrijk dat Jeruzalem als centrum had, om de HEER, de God van Israël te kunnen blijven dienen (39 40). Zodoende was zelfs tot in de dagen van de Heer Jezus van Anna bekend, dat ze tot de stam Aser behoorde (41).

De Joden die wij vandaag de dag kennen, stammen allen af van deze twee stammen-met-de-Israëlieten-die-zich-bij-hen-aansloten. Maar in de toekomst zal er ook een grote massa van de tien stammen uit de Assyrische ballingschap terugkeren. Al weten wij niet waar dit overblijfsel zich bevindt, bij de Heer is het zeker bekend en Hij heeft beloofd de twee en de tien stammen weer samen te voegen tot 'gans Israël' (42).
Maar voor allen die daarbij horen, geldt dan, dat zij zich vrijwillig en van harte onderwerpen aan de ene koning die God over hen zal stellen (43).


naar boven