'Met de dood is alles afgelopen', is de filosofie die velen aanhangen. Dit is wel begrijpelijk, want wij kunnen ons een bestaan zonder tastbaar lichaam niet voorstellen.
Maar hoewel de Bijbel spreekt over een onstoffelijke vorm van bewustzijn na de dood,
is het fascinerend te ontdekken, dat tenminste in een aantal bijbelse geschiedenissen
de dood niet het laatste woord heeft. De zoon van de weduwe Sarfath1,
de zoon van de
Sunamitische2
en de man die in allerijl in het graf van Elisa werd begraven3, zijn voorbeelden uit het Oude Testament dat de dood toch niet geheel oppermachtig is. En ook het Nieuwe Testament toont, dat lichamelijk leven na de dood niet uitgesloten moet worden geacht: het dochtertje van
Jaïrus4,
de jongeling van
Naïn5,
Lazarus6,
Dorcas7,
Eutychus8
en een onbekend aantal niet bij name
genoemden9, hebben ervaren dat er een macht is, sterker dan de dood, die ook hun lichamen deed herrijzen.
Wat er van al dezen geworden is, wordt in de Bijbel niet vermeld, maar daar ze niet
meer onder ons zijn, concluderen we dat hun opwekking 'slechts' de onderbreking van
de dood betekende. Een onderbreking die ons leert, dat God belang heeft bij het
lichaam van de mens en dat de complete mens, zoals die uit de hand van God is
voorgekomen - geest, ziel en
lichaam10
- in de eeuwigheid een rol speelt.
De opstanding van Christus
In bovenstaande opsomming van personen die aan de greep van de dood en graf werden
onttrokken, ontbreekt er ��n, wiens opstanding van zo grote betekenis is, dat de
apostelen zijn opstanding tot ��n van de centrale thema's van hun prediking maakten:
Christus.
Hoewel daarvoor reeds verscheidene mensen waren levend gemaakt, is de opstanding van
Christus uniek. Zijn opstanding toont ons hoe volkomen de gehoorzaamheid van de
Heer Jezus aan Zijn Vader geweest is en hoezeer God, de Vader, de zelfovergave van
Zijn Zoon heeft
gewaardeerd11.
Daarom kan ook alleen van Jezus Christus gezegd worden, dat Hij, nu Hij uit de doden
is opgewekt, niet meer
sterft12.
Hij is volkomen aan de heerschappij van de dood onttrokken, meer nog: Hij heeft de
kracht van de dood gebroken, die daardoor tenslotte allen prijs zal moeten geven.
Omdat deze opstanding in de Bijbel is
voorzien1314,
kan in Oude en Nieuwe Testament bij herhaling gesproken worden over het herleven
van doden.
Wat wordt met opstanding bedoeld?
Het begrip opstanding wordt in de Bijbel op verschillende manieren gebruikt.
Typologisch wordt de opstanding gebruikt als een beeld van Israëls herstel en
wederoprichting in het aloude land der belofte. Israël is al eeuwen 'begraven'
onder de volken maar het zal tenslotte uit dit graf herrijzen en in het eigen land
terugkeren1516.
De opstanding wordt ook gebruikt als illustratie van de wedergeboorte. Wie
in Christus gelooft gaat over uit de dood in het leven. Hij mag al gemeten van het
opstandingsleven van de Heer Jezus
Christus171819.
Daarnaast spreekt de Bijbel over een letterlijke opstanding van dode lichamen:
'Nadat mijn huid aldus geschonden is, zal ik uit mijn vlees God aanschouwen, die
ik zelf, mij ten goede aanschouwen zal, die mijn eigen ogen zullen
zien'20.
'Herleven zullen uw doden - ook mijn lijk -, opstaan zullen
zij'21.
Opstanding in fasen
Hoewel alle doden zullen opstaan, zullen niet allen gelijktijdig herleven. De Bijbel
spreekt over een zekere orde, waarin de opstanding zal plaatsvinden. 'Maar ieder in
zijn eigen rangorde: Christus als eersteling, vervolgens die van Christus zijn bij
Zijn komst, daarna het einde, wanneer Hij het koningschap aan God de Vader
overdraagt...'22.
Hier worden drie fasen aangeduid:
De eerste fase is de opstanding van Christus, die bijna 20 eeuwen geleden plaatsvond.
De tweede fase vindt plaats bij de komst van Christus.
De derde fase is na de Christusregering op aarde, 1000 jaar na de komst van
Christus23)
Bezien in dit licht krijgt de uitdrukking zoals die in het Nieuwe Testament gebruik
wordt echt inhoud: 'opstanding uit de doden'. Christus is niet alleen 'uit
de dood' opgestaan, maar ook 'uit de doden', letterlijk: 'van tussen de doden uit'.
Terwijl zeer veel lichamen door de dood werden vastgehouden, is Christus verrezen.
Die opstanding uit de doden is ook het thema van de prediking der
apostelen24,
terwijl dezelfde uitdrukking ook gebruikt wordt om de opstanding van gelovigen aan te
duiden25.
Bij de (weder)komst van Christus wordt
volgens Openbaring 20:6
de eerste opstanding voleindigd. Wie daaraan deel hebben zijn zalig en heilig. De
eerste opstanding omsluit dus de eerder genoemde eerste en tweede fase. Merkwaardig
is dan dat de volgende fase in Openbaring 20 niet de naam meekrijgt: 'de tweede
opstanding'. Weliswaar worden lichamen weer levend
gemaakt26,
maar het is geen opstanding in de volle betekenis van het woord. Het is een
opstanding van
onrechtvaardigen27,
ten
oordeel28,
tot eeuwig
afgrijzen29.
'Bij zijn komst'
Bijzondere aandacht dienen we nog te geven aan de tweede fase van de opstanding:
'vervolgens die van Christus bij Zijn
komst'30.
Bij Zijn komst kunnen we immers verschillende gebeurtenissen onderscheiden:
De eerste
daarvan is de wegrukking van de gemeente van Christus v��r de periode van Gods
toorn3132.
Zij die behoren tot de gemeente, het lichaam van Christus, de ontslapenen �n de
levenden, zullen van de aarde worden weggenomen en met de Heer verenigd worden in
de lucht. De gestorvenen zullen
opstaan33.
De levenden zullen veranderd
worden34.
Zonder te sterven krijgen zij deel aan de opstanding! Zij mogen bij de Heer zijn,
waardoor op aarde de weg vrijkomt voor de mens der
wetteloosheid35.
De grote verdrukking is begonnen! Maar dat is ook de dag van Gods
toorn36!
Die 'dag' eindigt met de komst van Christus, die de tegenstander
doodt3738.
Na de verdrukking zullen de heiligen uit de oudtestamentische periode
opstaan3940,
evenals de gelovigen die in de grote verdrukking gestorven
zijn41.
Gemeente, Israël en de volkeren in de opstanding
In de gemeente van Christus wordt geen onderscheid gemaakt tussen Joden en heidenen.
Dat werd in voorgaande tijden echter wel gedaan. Ook in de grote verdrukking en
het Messiaanse koninkrijk zal dat het geval
zijn4243.
De teksten die spreken over de opstanding, spreken alleen van Israëlieten die zullen
opstaan na de grote verdrukking. Zullen er ook uit de volken, en met name uit de
periode van het Oude Testament, deel hebben aan de opstanding? Ja! Job, die niet
behoorde tot het volk Israël en waarschijnlijk leefde met of zelfs v��r de
aartsvaders, spreekt heel zeker over de opstanding. Alle oudtestamentische gelovigen
uit de volken zullen mee opstaan uit het graf.
Over het tijdstip waarop dat gebeurt, spreekt de Bijbel niet rechtstreeks. We mogen
uit enkele teksten voorzichtige conclusies trekken.
De oudtestamentische heilsorde wordt voortgezet in de periode van de grote
verdrukking. De gelovigen uit de volken vormen dan een niet te tellen
schare44.
Velen van hen sterven als martelaren, maar staan na de verdrukking weer
op45.
Hoewel de oudtestamentische gelovigen daar niet genoemd worden, niet uit Israël,
en niet uit de volkeren, lijkt de conclusie gerechtvaardigd, dat allen uit deze
heilsorde op dat moment zullen opstaan. Wat betreft de gelovigen uit Israël, die
leefden in de oudtestamentische tijd, hadden we zelfs al duidelijke teksten
gevonden.
Ook Daniël 12:13
wijst ons in die richting. Daar wordt gezegd, dat Daniël zal opstaan 'tot zijn
bestemming'. Ongetwijfeld heeft dat voor iedereen geldigheid. Wie opstaat uit
de doden, bereikt zijn bestemming. De gemeente zal de eenheid met Christus ,
voorgesteld in de relatie van lichaam en hoofd, op volmaakte wijze ervaren.
Israël zal de eenheid met de Heer, voorgesteld in de
man-vrouw-relatie4647
eindelijk ten volle leren kennen. En daar omheen hebben de volkeren een plaats
gekregen4849.
We moeten daarom aannemen, dat ook de gelovigen uit de volken uit de
oudtestamentische periode na de grote verdrukking zullen opstaan uit hun graven.
Zo zullen alle gelovigen in de opstanding rondom Christus verenigd zijn. Ieder
zal in een eigen, heel specifieke positie de lof van Christus verkondigen.
In het koninkrijk
Het vrederijk zal heel bijzonder zijn wat de samenstelling van de bevolking
betreft. Allereerst zijn er drie groepen te onderscheiden:
Israël
de gemeente
de volkeren
De gemeente bestaat uitsluitend uit mensen die een opstandingslichaam hebben
verkregen. In hen woont geen zonde meer. Zij huwen niet meer en planten zich
niet voort, zoals tijdens hun aardse
leven50.
Israël en de volken daarentegen hebben een 'gemengde' samenstelling: een deel van hen heeft reeds deel gekregen aan de opstanding, een ander deel heeft de verschrikking van de verdrukking overleefd en gaat, hoewel door het geloof rechtvaardig, met een onvolmaakt lichaam het koninkrijk binnen.
Uit hen zullen ook weer kinderen geboren worden, voor wie het nodig is te
gaan geloven in de Heer en hun hart aan de koning
schenken51.
Een enkeling doet dat duidelijk niet en rebelleert openlijk, door de koning en diens wetten te negeren. Als hij de jaren des onderscheids bereikt heeft en niet meer tot de kinderen gerekend wordt, maar als jongeling beschouwd wordt (op 100-jarige leeftijd - Gods genade en geduld zijn groot!), wordt hij getroffen door de
vloek52.
Anderen doen uitsluitend alsof zij zich aan de koning
onderwerpen5354.
Op hun wandel valt niets aan te merken - er is ook veel minder verleiding, daar de satan 1000 jaren gebonden is -, maar hun hart is de koning vijandig gezind. Aan
het eind van het duizendjarig koninkrijk worden zij
ontmaskerd55.
Maar ook zullen er zeer velen gaan geloven in Christus. Hoewel de Bijbel daar
niet met zoveel woorden iets over zegt, menen wij dat zij aan het eind van het
koninkrijk ook een verlossing van het lichaam zullen meemaken. Dit moet dan
opgevat worden als een parallel van de gebeurtenissen die een deel van de
tegenwoordige gemeente van de Heer Jezus zal meemaken. Degenen die levend
overblijven56
zullen 'veranderd worden'. Op die manier krijgen zij deel aan de opstanding.
Dan zijn ook hun lichamen geschikt om in alle eeuwigheid God te aanbidden!
'O diepte van rijkdom, van wijsheid en van kennis Gods, hoe ondoorgrondelijk
zijn zijn beschikkingen en hoe onnaspeurlijk zijn wegen! Want uit Hem en door
Hem en tot Hem zijn alle dingen: Hem zij de heerlijkheid tot in alle eeuwigheid!
Amen'57.