De koning en zijn slaven
In Matteüs 18:23-35 vinden we het koninkrijk voorgesteld als een koning die afrekening houdt met zijn slaven. Zij moeten hun schulden voldoen, zonder daartoe in staat te zijn. Hun schuld wordt kwijtgescholden en van hen wordt verwacht, dat zij zelf ook bereid zijn om schulden kwijt te schelden. Een gelijkenis die ons verhaalt, wie er ingaan in het Koninkrijk en onder welke wetten men in het Koninkrijk leeft.
Betekenis van de gelijkenis
De identiteit van de slaven wordt niet uitdrukkelijk genoemd, zodat we zullen moeten denken aan allen die in het koninkrijk der hemelen zullen ingaan: Israël �n de volkeren. In de verzen 25-27 moeten we m.i. vooral denken aan hen, die het begin van het koninkrijk meemaken. Het blijkt dat in hen geen enkele reden gevonden wordt, waarom zij waardig gekeurd zouden worden het Koninkrijk binnen te gaan. Hun schuld tegenover God is zo groot, dat zij die nooit, al was het geduld van de koning nog zo groot (v. 26), zouden kunnen betalen.
Dat een slaaf in vrijheid gesteld wordt, heeft hij alleen te danken aan de goedheid van de koning. Israël en alle anderen die toegang verkrijgen tot het koninkrijk, hebben vergeving, verzoening nodig1), die hun door de Heer wordt aangeboden.
In vers 28 en verder moeten we meer denken aan hen die leven onder de wetten van het koninkrijk. Wetten, nog strenger dan die welke God door Mozes aan Israël heeft gegeven. De Heer Jezus heeft de zwaarte van zijn wetten doen voelen in de Bergrede: 'Gij hebt gehoord dat tot de ouden gezegd is: Gij zult niet doodslaan; (...) Maar Ik zeg u: een ieder die in toorn leeft tegen zijn broeder, zal vervallen aan het gerecht'2).
Het is duidelijk dat alleen zij aan deze hoge maatstaf kunnen voldoen, in wie de Heer leeft, en die door Hem geleid worden. Zij die de aanvang van het koninkrijk meemaken, zijn allen zulke nieuwe schepselen, opnieuw geboren. Anders konden zij het koninkrijk niet zien of binnengaan 3). Maar ook in het koninkrijk worden mensen geboren. Ook zij hebben het nodig de wedergeboorte te beleven. Dat zij zich in het koninkrijk der hemelen bevinden, danken zij aan het feit dat hun ouders toegang verkregen hebben.
Zolang zij zich aan Gods strenge wet weten te houden, zal niemand aan hen merken, dat zij er niet echt bijhoren. Bij hun inspannende wetsbetrachting hebben zij niet te maken met satans tegenwerking, daar hij gebonden is tijdens de duur van het koninkrijk 4).Wanneer zij hun toneelspel als loyale onderdanen van de koning tot het einde van de 1000 jaren volhouden, zonder de koning hun hart toe te vertrouwen (d.i: onderdanigheid veinzen 5!), worden zij ontmaskerd als de Heer satan voor een ogenblik loslaat. Samen met hem aan wie ze prompt weer zullen gehoorzamen, worden zij dan geoordeeld 6).
In hen wordt wel heel duidelijk geïllustreerd, dat de kinderen geheiligd zijn in de ouders. Door hun geboorte delen zij als het ware in de aan hun ouders geschonken zegeningen en zijn zij in de meest ideale positie gekomen om de Heer en zijn heil te leren kennen - in het koninkrijk der hemelen, waar zij de uitwerking van Gods genade in de levens van anderen kunnen aanschouwen.
Maar zoals gezegd, de wetten zijn streng en eisen volmaaktheid 7). Ook op het punt van vergevingsgezindheid. In het koninkrijk geldt, dat vergeving geschonken wordt naar de mate, waarin men zelf bereid is te vergeven. Iemand die onderworpenheid veinst, kent Gods vergeving niet door eigen ondervinding, maar door waarneming in anderen. Hij wordt getolereerd, totdat blijkt dat hij niet bereid is iemand een kleinigheid te vergeven. Tot dat moment heeft hij echter ook de gelegenheid zijn eigen onvermogen toe te geven en zichzelf aan de Heer toe te vertrouwen om opnieuw geboren te worden!
Praktische toepassing.
Dat de gelijkenis niet rechtstreeks op ons van toepassing is, is duidelijk. Wij, die leven in de bedeling van de genade, ontvangen geen vergeving naar de mate van onze vergevingsgezindheid, maar naar de mate van Gods liefde en ontferming 8). De grootte van de ons geschonken vergeving blijkt daaruit, dat wij geen veroordeling meer te wachten hebben 9).
Maar we kunnen wel lering uit deze gelijkenis trekken. Wij, die de Heer Jezus kennen, worden opgeroepen om elkaar te vergeven op gelijke wijze als de Heer ons vergeven heeft 10 11).
Maar het voorbeeld van de mate van Gods vergevingsgezindheid zien we niet in anderen met als opdracht dat na te volgen. We hebben het aan den lijve ondervonden. Dat geeft ons zo'n zekerheid en rust, dat het navolgen geen dwang of moeite kost, maar haast vanzelfsprekend is. Gebrek aan vergevingsgezindheid is zo strijdig met Gods karakter, dat het oprechte kind van God daar verdriet over heeft en naar verandering verlangt.
Terwijl Gods kind zich steeds spiegelt in het Woord van God en biddend de vinger legt bij elke afwijking die hij in eigen leven opmerkt, beantwoordt de Heer zijn verlangen en bewerkt Gods Geest de innerlijke verandering, waardoor Gods kind meer op de hemelse Vader gaat lijken 12).
De arbeiders in de wijngaard
Een heer stelt arbeiders aan in zijn wijngaard en betaalt hun het overeengekomen loon uit. Degenen die het laatst zijn aangeworven ontvangen evenveel als degenen die al lang aan het werk waren.
Deze gelijkenis uit Matteüs 20:1-16 laat iets zien van het werk, waar God de eeuwen door mee bezig is geweest ter voorbereiding van de komst van zijn Koninkrijk.
De betekenis van de gelijkenis
De wijngaard is een beeld van hen, onder wie God werkt en die zijn heerschappij (zeggen te) aanvaarden. In oudtestamentische tijd - en de Heer Jezus leeft zelf in die tijd 1) - was dat uitsluitend het volk van Israël 2).
Zij die aangeworven zijn om de wijngaard te bewerken en te onderhouden zijn de verschillende generaties van Israël, die hun dienst verrichtten met het oog op de toekomst: zij verwachtten het Koninkrijk van de Messias, de stad met fundamenten 3).
Nog zijn ze daar niet binnengegaan 4), maar het loon zal hun niet ontgaan, dat is zeker. Door de opstanding uit de doden zullen zij het koninkrijk van gerechtigheid en vrede binnengaan 5).
Het loon dat de arbeiders ontvangen, is, zoals gezegd, de toegang tot het Koninkrijk, zoals ook in Matteüs 25:31 en verder wordt gezegd. Natuurlijk, we weten, dat het 'zonder geloof onmogelijk is God welgevallig te zijn' 6). We weten ook, dat het onmogelijk is om het Koninkrijk van God binnen te gaan zonder door het geloof opnieuw geboren te zijn 7 8). De dienst van arbeiders die beloond wordt, is dan ook vrucht en openbaring van geloof.
Bij de Joden in Jezus' dagen overheerste de gedachte, dat het alleen de Joden waren, die in het Koninkrijk zouden binnengaan. Die gedachte sproot voort uit het feit, dat Israël het uitverkoren volk, Gods uitverkoren knecht wordt genoemd 9). Als zij uitverkoren waren, zo was de gedachte, waren de overige volken bij voorbaat verdoemd, of tenminste op een zeer lage rang geplaatst. Een dergelijke gedachte werd misschien nog versterkt door wat de Heer zegt in Matteüs 19:28, waar alleen over Israël gesproken wordt.
Maar dat de Heer de andere volken niet afwijst als Hij Israël verkiest, blijkt wel heel duidelijk uit de geschiedenissen die de Heer Jezus zijn toehoorders in de synagoge van Nazareth in herinnering brengt: de weduwe van Sarepta (Sarfath) en Na�man, de Syriër 10).
Ook blijkt het uit gedeelten als Jesaja 49:6, Zacharia 8:23 en Jesaja 19:24,25. Daar wordt niet gezegd, dat deze volken eerst proselieten worden om daarna als Joden in de Joodse gemeenschap te worden opgenomen, maar dat zij als heidenen, als heidense naties zelfs, uiteindelijk ook de Heer in het Koninkrijk zullen dienen, samen met Israël.
Israël als degenen die het eerst aangeworven waren, de volken als degenen die het laatst, ter elfder ure, aangetrokken zijn!
Of de Joodse schriftgeleerden deze teksten nooit gelezen hebben of dat zij ze hebben weggeïnterpreteerd, zoals veel christelijke exegeten teksten over Israël weginterpreteren, is niet duidelijk. Feit is wel, dat zodra er sprake van is dat heidenen op gelijke wijze als Joden deel hebben aan het heil in Christus, er direct ook sprake is van groot verzet van Joodse zijde 11 12).
Hetzelfde protest is hoorbaar in de gelijkenis, als de arbeiders van het elfde uur hetzelfde loon ontvangen als die van het eerste uur!
Het resultaat van dit protest is duidelijk: de laatsten zullen de eersten voorgaan 13). Het Koninkrijk zal tijdelijk van Israël worden weggenomen 14 15).
Voordat Israël, land en volk, een centrale plaats in het Koninkrijk onder de regering van Jezus Christus op de troon van David inneemt, zullen vele heidenen binnengaan (samen met 'enigen' uit de Joden, 16) in het Koninkrijk van God, dat nu in deze tussenperiode op een andere manier gebouwd wordt dan de profeten voorzegden, maar dat herkenbaar is aan geestelijke waarden in allen die geloven 17).
Praktische toepassingen
Uit de gelijkenis kunnen we natuurlijk ook praktische toepassingen leren:
* Elke dienst die de gelovige voor de Heer verricht, wordt beloond. Maar wij hebben niet te letten op anderen om de kwaliteit en de kwantiteit van hun dienst te beoordelen! Ieder is persoonlijk verantwoording voor de Heer schuldig 18 19). En hij die zijn dienst verricht in overeenstemming met de wil van zijn Zender, zal van God lof oogsten 20 21).
Het is duidelijk, dat hiervoor nodig zijn: een geestelijke instelling en leven in gemeenschap met de Heer.
* Hoewel de beloning voor getrouw vervulde dienst niet geheel onbelangrijk is, lijkt in de gelijkenis uit te komen, dat het voorrecht om in de dienst van de Heer te staan, eigenlijk veel zwaarder moet wegen. De arbeiders vonden dat nou juist niet zo'n voorrecht, wat iets van hun houding ten opzichte van de Heer verraadt.
Andere toepassingen vinden we, als we de arbeiders vergelijken met mensen, die op verschillende leeftijden tot geloof in de Heer komen - sommigen al heel jong, anderen in hun levensavond, te elfder ure.
* De arbeiders van het eerste uur zijn zij, die al op jonge leeftijd de Heer leerden kennen en daardoor gedurende een lange periode in zijn dienst konden staan. Ze zijn bevoorrecht boven andere gelovigen, die pas op latere of zelfs op late leertijd de Heer leerden kennen. Maar toch kunnen en mogen zij zich niet beroemen op hun langdurige arbeid en zich verheffen boven hen, die Hem maar gedurende een korte tijd hebben kunnen dienen, waarbij ze bovendien gehandicapt waren, omdat ze de in een mensenleven verzamelde last van werelds denken niet altijd 1, 2, 3 konden afleggen.
* In onze maatschappij bestaat de neiging om ouder wordende mensen steeds vroeger af te schrijven. Maar bij God is dat niet zo. Ouderen en jongeren mogen eendrachtig samenwerken om het evangelie uit te dragen tot heil voor de volkeren.
Het koninklijke bruiloftsmaal
Het handelen van God met Israël zal een hoogtepunt bereiken als God opnieuw tot het hart van dit volk zal spreken. Net als toen Israël uit Egypte verlost werd en de Heer zijn liefde voor dit volk verklaarde 1), zal God in de toekomst Israël verlossen uit de volken om in de woestijn te 'spreken tot haar hart 2). Dan zal zij zich geheel en al tot Hem keren 3) en de Heer zal haar 'tot bruid werven' 4). Dat zal tevens het einde zijn van al haar verdrukkingen, want de Heer maakt Zich op om alle verdrukkers rechtvaardige vergelding te bereiden, terwijl Hij laat uitroepen: 'De bruiloft van het Lam is gekomen' 5).
Door de meeste uitleggers wordt deze bruiloft van het Lam gesitueerd in de hemel, waarbij de gemeente van Jezus Christus wordt voorgesteld als 'bruid'. Toch levert deze zienswijze wat problemen op. De Openbaring sluit heel nauw aan bij de oudtestamentische profetieën betreffende Israël. In het bovenstaande werd al duidelijk, dat in elk geval daar Israël als de bruid van de Heer geschilderd wordt.
Als we bij de uitlegging van de Openbaring steeds verbanden leggen met oudtestamentische beelden en profetieën, lijkt het niet vanzelfsprekend, om dat ineens niet te doen bij Openbaring 19:7.
Daar komt bij, dat de Openbaring kennelijk een chronologische beschrijving van gebeurtenissen geeft ('daarna', 'hierna', e.d.; 6 7 8 9 10 11).
De gemeente van de Heer Jezus zien we in hoofdstuk 2 en 3 op aarde, terwijl ze in hoofdstuk 4 en 5 getoond wordt in hemelse heerlijkheid. In hoofdstuk 19 is de gemeente dan al tenminste 7 jaren bij haar Heer, want ook dit hoofdstuk past in de chronologie ('Hierna', 12).
Kan het zijn, dat dan pas de bruiloft aanvangt? En dat, terwijl Israël, het volk waaraan de Heer Zich zo bijzonder hecht, waaraan Hij zich onder ede verbonden heeft - een verbond dat juist weer in gedachtenis is geroepen 13) - door de zwaarste periode van de grote verdrukking gaat? Terwijl Hij Zelf direct ten oorlog op de aarde zal uittrekken?
E�n en ander doet ons voorzichtig neigen tot de volgende conclusie: In Openbaring 19 wordt aangekondigd dat het eindelijk zover is: de bruiloft staat voor de deur, de bruidegom zal uittrekken om zijn bruid Israël te ontmoeten. Vervolgens wordt het toneel voor die op handen zijnde bruiloft, de aarde, in orde gemaakt. In Openbaring 20 wordt dan in 't kort de direct daaropvolgende periode aangeduid, die 1000 jaren zal duren, waarin de bruiloft van het Lam gevierd zal worden: een 1000-jarig bruiloftsfeest.
Enkele details van dit feest worden ons getoond in de gelijkenis waarin de Heer Jezus het Koninkrijk der hemelen vergelijkt met een koninklijk bruiloftsmaal 14).
De betekenis van de gelijkenis
Bij het uitleggen van een gelijkenis moeten we op alle details letten om de betekenis te kunnen verstaan. Aangezien het hier een gelijkenis betreft waarin over de openbaring van het Koninkrijk gesproken wordt, moet het uitgebeelde ook elders in de Bijbel uitdrukkelijk geleerd worden. In de gelijkenis van het koninklijke bruiloftsmaal staan de bruiloftsgasten centraal. We zullen elders in de Bijbel moeten zoeken om te weten te komen, wie er met deze gasten worden aangeduid.
In Psalm 45 vinden we een lied op de bruiloft van de Koning. Naast de bruidegom en de bruid, die, de eerste uitvoerig, de tweede meer beknopt, beschreven worden, vinden we nog enkele deelnemers aan het feest. Allereerst zijn daar de metgezellen van de Koning 15). Zij delen in zijn eer een heerlijkheid, hoewel Hij toch boven hen is verheven 16). Maar Hij schaamt Zich niet hen broeders te noemen 17). We herkennen de gemeente van de Heer Jezus Christus.
Vervolgens zijn daar jonkvrouwen, koningsdochters in het gevolg van de bruid, waarvan er ��n met name wordt genoemd: de dochter van Tyrus 18). Dat brengt ons op het spoor van de genodigden tot de bruiloft. De aanduiding 'dochter van...' wijst op het in deze uitdrukking genoemde volk. Zo kennen we in de Bijbel de dochter van Sion 19), de dochter van Babel 20), de dochter van Tarsis 21) en nog vele anderen. De genodigden in de bruiloft van de koningszoon in Matteüs 22 kunnen we niet anders identificeren dan als de verschillende heidense volkeren.
In de Openbaring zien we hoe God zijn knechten uitzendt om de volkeren die leven in de tijd, die direct voorafgaat aan de Bruiloft, uit te nodigen: twee zeer bijzondere getuigen 22) en een schare van honderdvierenveertigduizend Israëlieten 23).
De genodigden nemen de uitnodiging echter niet aan en doden de getuigen 24 25).
De reden van de afwijzing is voor velen hierin gelegen, dat zij alleen bezig willen zijn met aardse zaken: kopen en verkopen, trouwen 26). En dat kan alleen, wanneer zij trouw blijven aan de wereldbeheersers van dat moment: het beest 27). Dat verklaart waarom de genodigden heengaan, 'de een naar zijn akker, de andere naar zijn zaken' 28), terwijl weer een ander niet kan komen, omdat hij pas getrouwd is 29).
De reactie van de koning is duidelijk: de opstandige genodigden worden geoordeeld en hun stad wordt verbrand. Deze gebeurtenissen worden als tevoren geschreven geschiedenis uitvoerig vermeld in de Openbaring: Babylon, de grote stad, residentie van de opstandelingenleider het beest, de moordenaar van de profeten en heiligen 30), wordt met vuur verbrand 31) en de oversten der aarde worden met hun volgelingen verdelgd 32)
Maar waar de oversten der aarde en alle hooggeplaatsten het niet waard zijn de bruiloft des Lams mee te maken, is er toch een groep mensen, die het wel waard zijn. Zij waren onder de antichristelijke regering het uitschot van de maatschappij, door een economische boycot 33) tot de bedelstaf gedoemd 34), maar zij komen binnen in de bruiloftszaal. Dat is zeker niet op grond van hun goede eigenschappen of verdiensten.
Met het oog daarop kan alleen gezegd worden, dat onder hen zowel goeden als slechten zijn. Maar zij komen binnen omdat ze tijdens de grote verdrukking gehoor hebben gegeven aan de prediking van het evangelie van het koninkrijk en daardoor opnieuw geboren zijn 35).
In Matteüs 22:11 mogen we dan een moment meemaken als de bruiloft eenmaal aan de gang is. De koning treft iemand aan zonder bruiloftskleren! Iemand die niet opnieuw geboren is! Hoe kan dat?
De volken die aan het eind van de grote verdrukking op aarde leven en ingaan in het koninkrijk, hebben nog geen verheerlijkte lichamen. Dat hebben alleen zij, die voor de aanvang van het koninkrijk al gestorven waren en die door middel van de opstanding der rechtvaardigen ten leven toegang tot het koninkrijk kregen. De nog-niet-verheerlijkten leven op gelijke wijze als wij: zij huwen en krijgen kinderen die, net als de kinderen van gelovige ouders van tegenwoordig, zondaren zijn. De zonden worden hen in hun kinderjaren niet toegerekend. In Gods genade duren die kinderjaren dan tot hun honderdste levensjaar.
Maar als zij na 100 jaren blijk geven de koning in hun hart te verwerpen door te zondigen, waarbij ze niet verleid kunnen worden door satan 36), dan zullen zij onmiddellijk het rechtmatige loon op de zonde ontvangen: de dood 37 38).
Toepassingen en lessen.
Deze gelijkenis kunnen we, nu we de directe betekenis kennen, op verschillende manieren toepassen, waarbij dan echter niet alle details van toepassing zijn of kunnen zijn. Bovendien moeten we ook hier bedenken, dat ook de toepassingen elders in de Bijbel duidelijk geleerd moeten worden.
In een eerste toepassing kunnen we in de eerstgenodigden het volk Israël zien, aan wie de Heer Jezus zich het eerst heeft voorgesteld en aan wie het evangelie het eerst gepredikt is 39 40).
Toen zij de Heer verwierpen en later ook het evangelie, dat hun door de apostelen gebracht werd, en dat bevestigd werd door de tekenen en wonderen die God daarop deed volgen 41), oordeelde God dat het evangelie verkondigd moest worden aan de heidenen, aan hen die verre stonden, die in Joodse ogen onrein waren 42 43).
En voor de Joden geldt dan: velen zijn geroepen (Gods beloften zijn voor allen die uit Abraham, Isa�k en Jakob geboren zijn), maar weinigen zijn uitverkoren (alleen zij die geloven in Christus ontvangen de beloofde zegeningen; 44).
Maar het detail dat door Lucas aan de gelijkenis wordt toegevoegd, dat niemand van de eerstgenodigden van de maaltijd zal proeven 45) is hier dan niet van toepassing 46).
In een tweede toepassing kunnen we de christenheid zien als de eerstgenodigden, en dan met name dat deel van de christenheid dat uit christelijke ouders geboren is. Wanneer zij, die van jongsaf het evangelie hebben gehoord, de Heer afwijzen, worden zij zwaarder geoordeeld, dan wanneer zij het evangelie niet gehoord of slechts 'op afstand' gehoord hadden. 47 48 49).
Zoals er op de bruiloft iemand was zonder bruiloftskleed, zijn er ook in de christenheid die zich christen noemen op grond van kerklidmaatschap of goede werken of..., maar die niet bekleed zijn met de klederen van het heil 50) door wedergeboorte. De Heer zal te zijner tijd de naamchristenen afzonderen van zijn kinderen.
Uit het bovenstaande vallen ook een aantal praktische lessen te leren:
* Wij allen hebben te waken voor het gevaar geheel in beslag genomen te worden door aardse zaken: ons werk, onze hobby's ons huwelijk. Maar ook al zijn dit op zich misschien goede zaken, toch dient de Heer Zijn gemeenschap en Zijn dienst voor ons van groter waarde te zijn.
* De 'tweede' generatie binnen de gemeenten, zij die uit christenouders geboren zijn, leren uit deze gelijkenis dat het er uiteindelijk niet om gaat of we uiterlijk 'christelijk' zijn, of we uiterlijk tot de geroepenen behoren, maar of we innerlijk voldoen aan Gods maatstaf: rechtvaardig door geloof in de Heer Jezus en zo in Hem uitverkoren om het beeld en de heerlijkheid van de Zoon van God te dragen 51 52).
Waarmee natuurlijk niet gezegd wordt, dat onze levenswandel geheel onbelangrijk is, maar daarover gaat het in een aantal andere gelijkenissen.
De drie gelijkenissen in Matteüs 25
In Matteüs 25 vinden we drie gelijkenissen, die in zekere zin bij elkaar horen: die over de wijze en de dwaze maagden, die over de slaven en de hun toevertrouwde talenten, en tenslotte die van de schapen en de bokken.
De betekenis van deze gelijkenissen
De gelijkenissen van Matteüs 25 sluiten aan op wat de Heer Jezus in hoofdstuk 24 heeft gezegd over de voleinding der eeuw (wereld) en over zijn terugkomst naar de aarde. Hoe zal het toegaan als de Zoon des Mensen komt om het koningschap over de aarde op zich te nemen 1 2)?
Bij de uitlegging van de gelijkenis van de wijze en dwaze maagden hebben we eerst af te rekenen met een vooroordeel, dat waarschijnlijk te maken heeft met onnauwkeurig lezen en dingen erbij te denken die er niet staan. Veelal denkt men namelijk dat de dwaze maagden dwaas zijn, omdat zij geen reserveolie meenamen. Maar de maagden trokken niet uit met brandende lampen. Op het tijdstip waarop zij uittrokken was dat waarschijnlijk niet nodig! Maar door het uitblijven van de bruidegom werden zij door de nacht overvallen. Toen het moment aanbrak dat de lampen in orde gemaakt moesten worden, bleek waarom 5 maagden dwaas waren: zij hadden wel lampen, maar geen olie meegenomen (v. 3).
De Heer Jezus geeft van deze gelijkenis geen uitlegging. We maken daaruit op, dat het beeld voor de Bijbellezer bekend verondersteld wordt.
In de profetieën van het Oude Testament worden dikwijls vrouwen gebruikt om volken uit te beelden. Heel bekend zijn natuurlijk die gedeelten die het volk Israël beschrijven als een vrouw - hetzij als een vrouw die door de Heer gehuwd wordt, hetzij als een overspelige vrouw.
Soms wordt het volk zelfs voorgesteld door twee vrouwen, die ook namen dragen, Ohola en Oholiba, om daarmee Israël en Juda, het tien- en het tweestammenrijk, aan te duiden 3).
De generatie van Israël die het uiteindelijke herstel zal meemaken, wordt aangeduid als de dochter van Sion of van Jeruzalem 4). Ook de omringende volkeren worden aangeduid als (konings)dochters. Zo lezen we over de dochter van Babel 5 6), van Tarsis 7), van Sidon 8); van Egypte 9), van Dibon 10), van Edom 11).
De maagden in de gelijkenis stellen de volkeren der aarde voor, over wie de nacht van de antichristelijke heerschappij is gekomen. Hoewel de aarde zo vlak voor de terugkeer van Jezus Christus is overgegeven aan de macht van de duisternis, zijn er toch lichtpunten. Want God laat zich niet onbetuigd. Hij heeft een boodschap voor de schepping die Hij door middel van zijn getrouwen bekend maakt. In onze tijd is dat door middel van de gemeente of kerk 12), in de antichristelijke tijd door 144.000 verzegelden uit Israël 13), door een schare die niemand tellen kan uit de volken 14) en zelfs door engelen 15).
Om in de taal van de tweede gelijkenis uit Matteüs 25 te spreken: de Heer van de ganse aarde vertoeft buitenslands, in de hemel, en zijn knechten, de volkeren, hebben de verantwoordelijkheid de hun toevertrouwde boodschap te aanvaarden en daarnaar te wandelen.
Waaruit dit handelen bestaat, wordt duidelijk uit de derde gelijkenis, die van de schapen en de bokken 16). Dan verzamelt de koning de volkeren voor zijn troon. De schapen die dan in mogen gaan tot het koninkrijk, mogen dat op grond van hun goede werken jegens de 'broeders' van de koning. Daarmee wordt de houding van de volkeren ten opzichte van het volk van de Heer, Israël, gekarakteriseerd, in het bijzonder gedurende de regering van de antichrist, die zich immers in het bijzonder ten doel stelt het volk van de heiligen van de Allerhoogste te gronde te richten 17 18).
Deze positieve houding van een deel der volken komt niet voort uit menselijke overleggingen, maar is het directe gevolg van het aanvaarden van Gods boodschap en daarmee van de Heer Zelf. Vijf maagden hebben deze boodschap, en daarmee God, afgewezen. Zij zijn dwaas 19) omdat ze geen andere God erkennen dan zichzelf en daarom wel tot gruweldaden moeten vervallen, in het bijzonder ten opzichte van Gods volk 20)!
Vijf maagden zijn wijs, omdat zij olie in hun kruiken hebben. Olie is een beeld van Gods Geest, waardoor Hij bij hen woont. Zij hebben in die vreselijke tijd onder de antichrist aan Gods roepstem gehoor gegeven en kennen Hem. Dat is wijsheid 21).
Als het koninkrijk komt zien we daar de Bruidegom die zijn bruid, die Hij eerst van zonden heeft gereinigd, ontmoet 22). Zij worden omringd door 'jonkvrouwen', 'haar vriendinnen' 23): volkeren die jaarlijks optrekken naar Jeruzalem om de koning hulde te bewijzen 24).
Toepassingen van deze gelijkenissen
Pas nu we de betekenis van deze gelijkenissen ontdekt hebben, kunnen we zonder gevaar voor uitglijden - d.i. dingen leren die de Bijbel nergens leert maar die alleen uit onze verklaring van deze gelijkenissen zouden moeten blijken - er een toepassing voor ons eigen leven uit afleiden.
De gelijkenis van de maagden leert ons, dat we ernst moeten maken met Gods boodschap nu het nog kan. Wie de Heer Jezus nog niet heeft aangenomen hoewel hij het evangelie hoorde, moet dat niet uitstellen tot het moment dat hij profetieën in vervulling niet gaan. Afgezien van de vraag of hij/zij zolang leeft, zou dat wel eens kunnen betekenen dat het 'te laat' is! Ook gelovigen moeten er ernst mee maken om het heden van hun leven ten dienste te stellen van de Heer 25 26).
De gelijkenis van de talenten leert ons, dat geloof een wezenlijke verandering van onze levenswandel teweeg brengt, die gekenmerkt wordt door liefde tot en onderworpenheid aan de Heer 27 28 29 30 31).
Bij wie dat niet in enigerlei mate zichtbaar wordt, is iets niet in orde. Op z'n minst is bij zo iemand de gemeenschap met de Heer verbroken. Daar mogen we de persoon in kwestie in liefde de vraag stellen of hij wel echt zeker weet het eigendom van Christus te zijn of dat hij misschien alleen maar met de mond heeft beleden een christen te zijn. En dit alles dan met het doel om te helpen in het groeien naar Christus toe!
Uit het gedeelte van de schapen en de bokken leren we dat onze houding ten opzichte van Israël in het bijzonder, en meer in het algemeen ten opzichte van allen die ons omringen, er ��n behoort te zijn van barmhartigheid en medelijden 32 33).
Bij het overdenken van deze toepassingen merken we op, dat die elders in de Bijbel ook met nadruk geleerd worden.
Om duidelijk zicht te krijgen op de gebeurtenissen die plaatsvinden, als de Heer Jezus
als de Koning der ganse aarde komt, willen we in dit hoofdstuk nadenken over die
gelijkenissen van het Koninkrijk der hemelen in het Matteüsevangelie, die gaan over
de openbaring van het Koninkrijk na de voleinding van de verborgenheden.