De Heer heeft vanaf de schepping van de aarde het plan gehad om zijn koninkrijk op aarde
te vestigen
(1).
God wil als Koning heersen om zo de aarde te vervullen met gerechtigheid en vrede. De mens
was klaarblijkelijk geroepen om in Gods naam de aarde te beheren en te bewaren door
eenvoudig met God te wandelen.
De zondeval is daar tussen gekomen, maar Gods plan is niet wezenlijk veranderd. Want in de
veroordeling van de slang die Adam en Eva verleidde, ligt de belofte besloten, dat er eens
een mens zal zijn, die de zonde teniet zal doen. Dan zal - om een nieuwtestamentische uitdrukking
te gebruiken - de tweede mens op aarde regeren.
Tegelijk is het duidelijk, dat er in de Bijbel een tijd wordt aangekondigd, dat de Heer Zelf
als Koning op aarde zal regeren. Vele oudtestamentische profeten hebben daarover gesproken.
De roeping van Israël
Het volk van de Koning
De eerste keer dat deze Godsregering in de Bijbel wordt genoemd, is als Mozes God tot
Koning uitroept in het lied dat gezongen werd nadat God de vijanden van het volk Israël
had doen omkomen in de Schelfzee
(2).
In de nacht waarin het Pascha gevierd werd, was de natie Israël geboren. Het was Gods
plan om door deze natie de aarde te regeren
(3).
God wilde in hun midden regeren en zo zijn heerschappij vestigen over de gehele aarde.
De Koning verworpen
Eén van de meest tragische momenten in de geschiedenis van Israël is opgetekend in het boek Samuël:
De oudsten van het volk Israël vroegen aan Samuël, de profeet van God: "Benoem liever een koning
om ons te besturen, zoals alle andere volken er een hebben." Ze verwierpen God als
hun koning
(4).
Het volk niet verworpen
Maar hoewel het volk faalt en de Heer verwerpt, verandert Gods plan niet. Hij had dit al
voorzien
(5).
En Hij gaf hun in zijn toorn
(6),
voor een korte tijd, de koning naar hun hart. Een koning die politiek en militair goede
dingen deed, maar het belangrijkste naliet: hij leidde zijn volk niet op de weg van
gehoorzaamheid en toewijding aan God.
De Messias: Koning naar Gods hart
Nadat God Saul, de koning naar het hart van het volk, terzijde had gesteld, gaf Hij hun
David, een man naar Gods hart, tot koning. Uit hem zou de Messias voortkomen, die over
Israël en over de volken Koning zal zijn
(7).
Hoewel Davids zoon Salomo op de troon van de Heer regeert
(8),
is hij niet de Messias-Koning. De profeten verwachtten iemand, groter dan Salomo, die het
koningschap op Zich neemt, aan wiens Koningschap geen einde komt. Die niet alleen zoon van
David zal zijn, maar tevens: Zoon van God. Voor Hem zullen alle koningen der aarde plaats
moeten maken
(9).
De Messias verworpen
Toen deze zoon van David, de Zoon van God, op de aarde kwam, realiseerden zelfs zijn
discipelen zich maar nauwelijks, dat deze Jezus dezelfde was als de Heer uit het Oude
Testament (vgl.
Jesaja 6:9
met
Johannes 12:37-41).
En Hij, die eerder als God verworpen werd, wordt nu ook als mens verworpen om het
koningschap over Israël te vervullen
(10).
Het Koninkrijk tussen kruis en wederkomst
Uitstel van de belofte
Is met de dood van de Koning het koningschap en het Koninkrijk van God van de baan?
Neen, maar het openbare koningschap van de Heer Jezus is uitgesteld tot een ons onbekende,
maar denkelijk nabije datum in de toekomst
(11;12).
Een nieuwe vorm
In die periode van uitstel heeft het Koninkrijk een vorm aangenomen, die in voorgaande
bedelingen onbekend was. Niet langer staat in dit Koninkrijk Israël centraal, niet langer
is daar de troon van de Heer in Jeruzalem.
Nu behoren tot het Koninkrijk van God allen die in de Heer geloven. In hun harten woont
en regeert Hij.
Het Koninkrijk der hemelen
Voorzover dit Koninkrijk uiterlijke vormen, organisatiestructuren, heeft,
wordt het aangeduid als Koninkrijk van God of Koninkrijk der hemelen.
De uitdrukking Koninkrijk der hemelen komt alleen bij Matteüs voor. De uitdrukking
Koninkrijk van God wordt gebezigd door alle vier de evangelisten (Matteüs, Marcus,
Lucas, Johannes) en Paulus.
Hoewel deze beide termen vaak synoniemen lijken te zijn, lijken er ook wat verschillen
te zijn.
Zo zouden we kunnen zeggen dat alle wedergeborenen samen het Koninkrijk van God vormen,
dat gekenmerkt wordt door rechtvaardigheid, vrede en blijdschap. Dit wordt door de
Heilige Geest in de harten bewerkt
(13).
Het Koninkrijk der hemelen is een ruimer begrip. Het omvat de gehele christenheid, allen
die zich christenen noemen - gelovigen en naamchristenen samen. In het Koninkrijk der
hemelen bestaan goeden en kwaden naast elkaar. Soms zijn ze nauwelijks van elkaar te
onderscheiden - voor de menselijke waarnemer tenminste
(14).
Wij hoeven dan ook niet te bepalen wie er vandaag de dag wel of niet tot dit Koninkrijk
behoren, maar alleen ons eigen hart onderzoeken, of Christus wel in ons is
(15).
De belofte niet herroepen
Het moge duidelijk zijn, dat deze vorm van het Koninkrijk, die aan de oudtestamentische
profeten niet geopenbaard was, niet de laatste fase in de geschiedenis van het Koninkrijk
van God is. De openbare Godsregering op aarde, door de profeten aangekondigd, zal bij de
terugkeer van Jezus Christus worden opgericht
(16)!
Het koninkrijk in gelijkenissen
De Heer Jezus heeft met zijn discipelen veel gesproken over de komst van het Koninkrijk.
In gelijkenissen zet Hij de omstandigheden uiteen waaronder dat Koninkrijk op aarde zal
worden opgericht en wie er toegang toe zullen verkrijgen. Maar in sommige gelijkenissen
begint Hij zijn discipelen in te lichten over de tot op dat moment nog steeds verborgen
gehouden vorm, die het Koninkrijk zal aannemen.
De verborgenheid van het Koninkrijk
In een aantal gelijkenissen verklaart de Heer Jezus de vorm die het Koninkrijk aanneemt
nu de Koning verworpen is. De meest kenmerkende verschillen met de uiteindelijke
openbaring van Gods Koninkrijk zijn:
Niet Israël staat centraal in Gods handelen met en spreken tot de wereld, maar God
richt Zich rechtstreeks tot de gehele wereld (= de akker).
In deze bijzondere vorm van het Koninkrijk der hemelen zullen goed en kwaad naast
elkaar opgroeien tot de oogst, terwijl als het Koninkrijk uiteindelijk op aarde zal
worden opgericht, de kwaden bij de aanvang worden uitgezuiverd
(17;18;19)
en verder telkens wanneer iemand door zijn daden blijkt tot de kwaden te behoren
(20).
Meer bijzonderheden over het Koninkrijk van God in deze periode van 'verborgenheid' worden
ons door Paulus bekendgemaakt
(21).
De gelijkenissen over de geheimenissen van het Koninkrijk zijn bedoeld om de geheimissen
alleen aan hen bekend te maken, die tot het Koninkrijk behoren. Tegelijkertijd dienden ze
ervoor om deze toekomstige vorm van het Koninkrijk verborgen te houden voor de Joodse
leidslieden, die door hun ongeloof geen deel zouden hebben aan het Koninkrijk van God
(22)!
De geheimenissen van het Koninkrijk en de gelijkenissen die daarover spreken zijn het
onderwerp van hoofdstuk 2.
De openbaring van het Koninkrijk
In een aantal gelijkenissen toont de Heer Jezus dat, hoewel het Koninkrijk van Israël is
weggenomen
(23)
en een 'verborgen' vorm heeft aangenomen, het uiteindelijk toch in de oorspronkelijk
aangekondigde vorm openbaar zal worden. In deze gelijkenissen wordt getoond hoe en onder
welke omstandigheden het Koninkrijk der hemelen komt en wie er deel in zullen hebben.
Deze gelijkenissen zijn het onderwerp van hoofdstuk 5.
De interpretatie van gelijkenissen
Gelijkenissen zijn verhaaltjes die bedoeld zijn om Gods gedachten door illustraties te
verduidelijken. Dergelijke verhalen vragen om een interpretatie. Maar daarbij moeten we
dan wel op een paar dingen letten, zodat we niet op ons gevoel afgaand de gelijkenissen
verklaren en door onze eigen fantasie worden meegesleurd.
In de uitlegging dienen we rekening te houden met de verklaring van symbolen zoals
de Heer Jezus die Zelf geeft bij enkele gelijkenissen. Voorbeelden:
Het zaad
(25)
is een beeld van het Woord, de boodschap van het Koninkrijk
(26)
en van hen in wie dat Woord zijn uitwerking heeft
(27).
Als de Heer Jezus geen verklaring van beelden geeft, moeten we aannemen dat die vanuit
de Bijbel bekend verondersteld worden. Voorbeelden:
Een boom
(28)
als uitbeelding van een politiek-godsdienstige macht
(29;30).
Zuurdesem als beeld van verkeerde leringen
(31;32).
Wanneer het gaat om de openbaring van het Koninkrijk, dan mogen we aannemen dat
dezelfde dingen, zij het minder gedetailleerd, ook al eerder in de Schift bekend waren.
Indien het gaat om de geheimissen van het Koninkrijk, dan kan de uitlegging van de
gelijkenissen nooit strijdig zijn met wat ons elders in het Nieuwe Testament over Gods
werk in de periode van geheimenissen geleerd wordt.
Elke gelijkenis kent zowel een (profetische) verklaring als een (morele) toepassing.
De verklaring legt uit om wie, om welke tijd, om welke gebeurtenissen het in
de gelijkenis primair gaat. Daarbij moeten alle details in aanmerking genomen worden.
De toepassing leidt daaruit de praktische betekenis voor ons leven af, waarbij rekening
gehouden moet worden met het feit, dat wij misschien in een andere bedeling leven dan die,
waarover het in de gelijkenis gaat. In dat geval leren we van de algemene principes zonder
alle details rechtstreeks toe te passen.
Pas als we een bijbelse verklaring van een gelijkenis gevonden hebben (dat is een
verklaring die in harmonie is met het gebruik van beelden in de gehele Bijbel en met de
hele samenhang van de Bijbel), kunnen we komen tot een juiste toepassing van de gelijkenis
op ons eigen leven.