!--platte tekst tbv zoekfunctie
PSALMEN 42 en 43
De psalmen 42 en 43 horen inhoudelijk bij elkaar. De vertalers van het NBG hebben dit, blijkens het opschrift boven Psalm 43, ook zo aangevoeld. Ze vormen als het ware een lied van drie coupletten met een terugkerend refrein 1 2).
De primaire betekenis
Op wie en op welke gebeurtenissen heeft dit lied betrekking? Zoals bij zoveeel gedeelten uit de Bijbel zullen we verschillende toepassingen herkennen, als we de primaire betekenis hebben verstaan.
Het refrein geeft de gemoedsgesteldheid en tweestrijd van de dichter weer: hij is duidelijk onrustig, opgejaagd, maar tegelijkertijd is er hoop op God.
Hij verkeert blijkbaar in moeitevolle omstandigheden: ver van Gods aangezicht, bespot 3), ten dode toe vervolgd 4) door de man van bedrog en onrecht 5). De zanger spreekt zich in het refrein moed in: God zal hem uiteindelijk niet aan z'n lot overlaten.
In het eerste couplet 6) worden de kommervolle omstandigheden gezien in het licht van de herinnering aan betere dagen, toen er reden en vrijheid was om de feesten van de Heer te vieren. De klacht overheerst en droefheid overweldigt de zanger.
In het tweede couplet 7) zijn de omstandigheden nog niet veranderd, maar richt de dichter zijn gedachten op God. Hij erkent, dat het God is, die ook deze omstandigheden toelaat en misschien zelfs (tot reiniging van zonden?) nodig acht.
Maar hij klaagt niet alleen, hij legt zijn klacht bovenal aan God voor (v. 8). En dan begint het licht te gloren (v. 9).
In het derde couplet 8) vinden we alleen een gebed. Daarin klinkt wel iets van de smart over de huidige situatie door, maar veel meer gaat het om het einddoel: God loven bij zijn altaar (v. 4). De dichter, die niet alles van Gods handelwijze begrijpt, accepteert de manier waarop God met hem handelt. Hij zegt als het ware: als dit nodig is om mij tot U te brengen - gaat U dan maar Uw gang, o God. Triomfantelijk erkent hij: U bent (toch) mijn God! Was dat misschien de erkenning, waarop de Heer wachtte?
Natuurlijk handelt dit lied in de eerste plaats over de Korachieten zelf. Veel uitleggers menen, dat dit lied geschreven is in de tijd dat David met de zijnen moest vluchten voor Absalom. Terwijl David de Levieten, die in het heiligdom dienst moesten doen, terugstuurde 9), zijn de Korachieten, die als poortwachters minder nauw met de tempeldienst waren betrokken, bij David gebleven. Maar hoewel de eigengereidheid van hun stamvader bij hen niet aanwezig is, is het feit, dat zij ver bij de tempel vandaan zijn, wel reden voor grote droefheid. Een droefheid, die zij ongetwijfeld delen met David, voor wie het bijzonder pijnlijk moet zijn door zijn eigen zoon als vijand behandeld te worden.
Toepassingen
Met deze achtergrond van de psalm in gedachten, zijn we in staat tenminste drie toepassingen te herkennen:
* Christus
De psalm laat ons iets zien van de manier waarop Christus het lijden aan het kruis ervoer en verwerkte. Als de schepper van alle dingen en als de formeerder van Israël, werd Hij eerst door Joden en heidenen verworpen, maar vervolgens door God verlaten. Meer dan wie ook, kende Hij de omgang met God, genoot Hij diens nabijheid. Maar aan het kruis werd Hij verlaten, uitgestoten door hemel en aarde. Spotters riepen: Laat God Hem verlossen, indien Hij een welgevallen in Hem heeft 10). Daarmee daagden ze overigens zonder meer God uit, door zijn eigen getuigenis 11) ter discussie te stellen. Maar Hij sprak tot God, met de woorden van een andere psalm: Waarom vergeet Gij mij? 12 13). Het is goed voor de gelovige zo deze psalmen te lezen en stil te staan bij zijn Verlosser, wiens innerlijk hij zo beter leert kennen.
* De gelovige
Iedere gelovige kent in z'n leven momenten van beproeving, waarin hij zich totaal alleen voelt staan, overweldigd door de omstandigheden, schijnbaar ook door God verlaten. Soms kunnen wij daar geen oorzaak voor aanwijzen, soms is zonde de directe oorzaak. Maar hoe dan ook, we herkennen onszelf in psalmen als deze, zowel in de nood, als in het uitstrekken om hulp naar Hem, die op het moment zo ver weg schijnt, maar die geen bidder laat staan. De woorden van verwachting en hoop 14) en 15) zijn als zoete balsem voor de wonden van de ziel.
* Israël in de verstrooiing
Vluchtend voor een onrechtmatige kroonpretendent zijn David en de zijnen een afschaduwing van Israël in de verstrooiing, met name in de periode van de grote verdrukking van Matteüs 24:15-21. Al vele eeuwen duurt de verstrooiing. Ook vandaag de dag leeft de overgrote meerderheid van de Israëlieten (of Joden) in de diaspora - minder dan 20% van hen woont in het beloofde land! Maar er volgt nog een smartelijk dieptepunt, als het gelovig deel van de Joodse natie opnieuw het land moet verlaten en moet vluchten voor de mens der wetteloosheid, de zoon des verderfs, die de tempel in Jeruzalem en de aanbidding der mensheid voor zich opeist 16 17 18 19).
Zij vluchten de bergen in 20), naar de enige plaats die aan de tirannie van de antichrist ontkomt: het gebied van Edom, Moab en Ammon 21). Een blik op de kaart leert ons, dat ook zij, zoals David vroeger, over de Jordaan zullen trekken 22) om te ontkomen aan hem, die onrechtmatig aanspraak maakt op het koningschap over de hele aarde.
Het lijden van Israël in het verleden kan en mag niet gekleineerd worden. Niemand wenst dit volk een herhaling daarvan toe, maar helaas wacht de profetie nog een angstaanjagende vervulling - zie hoe Psalm 42:4,5 en Deuteronomium 28:65 overeenstemmen. Het zal lijken of Israël alleen in het verleden Gods volk was 23). De vijanden zullen opnieuw de tempel ontwijden en roepen: Waar is nu uw God? 24 25). Als in een vloedgolf lijkt Israël onder te gaan 26 27). Maar het woeden der volken onder leiding van antichrist 28) bewerkt een loutering van Israël.
Het gelovig deel, door God aangesproken als 'Mijn volk', wordt erdoor afgezonderd van het verharde deel 29). En in de woestijn zullen Israël en de Heer met elkaar spreken van hart tot hart 30 31). Het gelovig overblijfsel keert zich openlijk tegen de antichrist, die door hen aan de kaak gesteld wordt als man van bedrog en onrecht 32). Niet langer vertrouwen zij op andere goden of op hun eigen kracht - God zelf is hun God en hun enige toevlucht 33). Zij vragen opnieuw naar Gods waarheid, zijn Woord 34). Daarom is de hoop in het refrein van deze psalm geen ijdele hoop. De aloude belofte zal vervuld worden: God brengt een keer in hun lot 35). Zij zullen de Heer op de ene plaats die God uitgekozen heeft, aanbidden: in Jeruzalem!
PSALM 44
In de voorgaande psalmen hebben we stilgestaan bij de heimwee van het volk Israël naar het eigen land, preciezer: naar het huis van God. Dat heimwee werd gevoed door de herinnering aan de goede tijden, die daar beleefd mochten worden.
In Psalm 44 beluisteren we een ander deel van hun gebeden, waarin we iets meer ontdekken van de omstandigheden en het innerlijk leven van de van huis en haard verdreven Israëlieten.
Het onderwerp van psalm 44
Het is niet op te maken bij welke gebeurtenis deze psalm gemaakt is. Onder bijbeluitleggers worden vele mogelijkheden genoemd, maar er is geen enkele sprake van eenstemmigheid.
Onbekendheid met de directe aanleiding is overigens geen belemmering voor het begrijpen en toepassen van het gedeelte. Een korte vergelijking met Deuteronomium 28 maakt duidelijk, dat hier de vervulling van de profetie beschreven staat.
Psalm 44 Deuteronomium 28
11 voor de tegenstander hebt Gij ons laten wijken... 25 .. de Here zal u verslagen aan uw vijanden overleveren
11 onze haters hebben naar hartelust geplunderd 31 Uw kleinvee zal aan uw vijanden worden gegeven, zonder dat iemand u te hulp komt.
12 Gij hebt ons overgeleverd als slachtvee .. 32 Uw zonen en dochters zullen aan een ander volk worden overgeleverd.
12 Gij hebt ons... onder de volken verstrooid... 64 De Here zal u verstrooien onder alle natiën...
14 Gij hebt ons gesteld tot... spot en hoon voor wie ons omringen. 37 ... een spotrede onder alle volken
15 Gij hebt ons tot een spreekwoord onder de volken gesteld. 37 ... een spreekwoord... onder alle volken
15 Gij doet de natiën over ons het hoofd schudden 25 ... zodat gij tot een schrikbeeld zult wezen voor alle koninkrijken der aarde...
Vanuit Deuteronomium leren we de oorzaak van nationale rampspoed voor de natie Israël kennen: 'het volk' heeft niet geluisterd naar de geboden, die God hun door Mozes gegeven had 1).
Met 'het volk' worden echter niet alle individuen van het volk Israël aangeduid. Want juist in de verdrukkingen blijken er te zijn, die, halsstarrig haast, vastbesloten zijn aan de Heer en zijn verbond trouw te blijven 2). Een (grote?) meerderheid van het volk heeft zich door haar leiders laten meevoeren en is een eigen weg gegaan, maar er is een klein overblijfsel, een '7.000-tal' 3 4), dat de meerderheid niet volgt in het kwade.
Dit overblijfsel lijdt als de goeden met de kwaden mee. Toch klinkt er geen verwijt aan het afvallige deel van de natie. Zij erkennen, dat God in al hun omstandigheden de hand heeft gehad - in een ver verleden (v. 3,4), maar ook in het heden (v. 23). Ja, juist het feit, dat zij trouw zijn aan de Heer, maakt de vervolging door Gods vijanden des te heviger 5). En dan stijgt hun gebed om verlossing op tot God. Daarbij beroemen zij zich echter niet op hun voortreffelijkheid, maar op Gods goedertierenheid, op zijn genade (v. 23-27). Op grond van die goedheid kunnen zij zelfs al zingen van verlossing. Want God, die in het verleden hun voorvaderen uitredde en leidde, is dezelfde gebleven en zal ook nu het gelovig gebed verhoren (v. 2-9).
Toepassingen
Hoewel we de historische aanleiding, als die er geweest is, van deze psalm niet kennen, is het niet moeilijk een paar toepassingen te herkennen.
* Christus
Als geen ander is de Heer Jezus, deel uitmakend van een volk, dat z'n God verliet, trouw gebleven aan de God van Israël. Dat feit op zich al bracht Hem smaad en spot van de zijde der mensen, maar daarbovenop kwam het oordeel van God. Hij identificeerde Zich zo met dit volk (en alle overige mensen), dat Hij het voor hen bestemde oordeel in alle hevigheid heeft moeten ondergaan. Maar bij dit alles bleef Hij volhardend tot God opzien.
* De gelovigen
De psalm toont, blijkens de aanhaling in het Nieuwe Testament (6), ook iets van de levenservaringen van de gelovigen uit de gemeente van de Heer Jezus. Ook zij weten, wat het is om in een vijandige wereld te leven, vervolgd en aangevochten te worden.Zij kennen ook de tweestrijd die in psalm 44 zo duidelijk naar voren komt: God heeft in het verleden zo wonderlijk geleid en gezorgd - Hij zal dat zeker nog doen. Hij is immers niet veranderd? Toch zijn er zoveel moeiten, toch is er zoveel strijd.
Maar met de Korachieten - met Habakuk en vele anderen - zeggen zij ook: en toch... 7 8).
* Israël
Aannemend dat psalm 44 evenals de psalmen 42/43 en 45 geschreven is in de tijd van de vroegste koningen over Israël, David en Salomo, kunnen we tenminste twee perioden van vervulling aanwijzen:
o de tijd van de ballingschap
In 586 voor Christus voerde Nebukadnezar, koning van Babel, de bewoners van Juda en Jeruzalem in ballingschap 9). Ruim 100 jaar daarvoor had Salmaneser van Assur de inwoners van Samaria en Israël gevankelijk weggevoerd 10).
Beide deportaties hadden dezelfde reden: niet luisteren naar Gods geboden 11 12).
Maar er waren in de ballingschap ook Israëlieten, die wel trouw waren aan hun God: mannen als Daniël, Sadrach, Mesach, Abednego, Nehemia. Rechtvaardigen 13), die door de ontrouw van anderen gebukt gingen onder het Godsoordeel. Maar het waren mannen van gebed, uit wier harten de woorden van de psalmen 42 tot en met 44 voortgekomen zouden kunnen zijn 14 15).
o b. de tijd van de grote verdrukking
Hoewel een deel van het Joodse volk weer in het eigen land woont, is de tijd van de diaspora nog niet ten einde. De tijd van Israëls verdrukkingen zal nog een vreselijk dieptepunt kennen: de grote verdrukking 16).
Maar ook in die tijd zijn er die '7.000', die de Heer trouw dienen: 144.000 uit de stammen van Israël en vele anderen 17). Hoewel de verdrukkingen hen niet bespaard worden, volgen zij onvoorwaardelijk hun Meester 18), die tenslotte hun geloof beantwoordt en hen bevrijdt 19).
PSALM 45
In Openbaring 19:7-9 wordt de bruiloft des Lams aangekondigd als het grote sluitstuk van Gods plan met de mensheid. Een bruiloft die 1000 jaar zal duren 1).
Opmerkelijk echter is, dat er in de Openbaring zo weinig over die bruiloft gezegd wordt! Toch verwondert ons dat niet, omdat dat ��n van de dingen is die in het Oude Testament al uitvoerig belicht zijn. Heel bijzonder is in dit verband wel Psalm 45 - een lied voor de bruiloft van de koning!
Staat bij onze bruiloften meestal de bruid in het middelpunt, hier staat de Bruidegom centraal, in het bijzonder in de verzen 1 t/m 10:
* Zijn lippen zijn met liefelijkheid overgoten. Hij spreekt woorden van genade 2)
* Maar juist dat Woord is als een machtig zwaard, dat overwinning brengt. Zo wordt ons de koning getoond als een machtig held, wiens werken niet te stuiten zijn!
* Wie Hem en het Woord van zijn genade verwerpen, krijgen met een overwinnend en onderwerpend Heerser te maken. Wat een duidelijke aankondiging van Harmageddon, als Hij om zijn bruid te bevrijden, de tegen Hem verzamelde volken onder zijn voeten vertreedt 3).
* Deze Koning is God, de Heer 4), de Zoon des Mensen 5) in wie de belofte aan David 6) volledig in vervulling gaat!
* Tijdens de bruiloft is het beeld compleet. De Koning wordt gezien met zijn metgezellen, zijn deelgenoten 7), met wie Hij zich vereenzelvigt en die Hij zijn broeders noemt 8); de gemeente. En aan zijn zijde staat, omringd door koningsdochters, zijn gemalin, de bruid!
In de verzen 11-18 zien we de bruid met hen die haar omringen.
De profeten hebben van oudsher de relatie tussen de Heer en zijn volk Israël vergeleken met die van bruidegom en bruid: 'Ik weet nog hoe je me liefhad in je jeugd, van me hield als mijn bruid, hoe je me volgde door de woestijn ... Israël is aan de Heer gewijd...' 9) 'Ik zal u mij tot bruid werven voor eeuwig...' 10)
Deze bruid heeft in zichzelf voor mensen niets aantrekkelijks 11). Maar God ziet in haar het werk van zijn handen. En wanneer we in Psalm 45:15a de bruid in haar schoonheid zien, moeten we bedenken dat haar schoonheid eigenlijk de schoonheid is van haar bruidegom, die haar bekleed en versierd heeft 12).
Vandaag de dag moet ons hart huilen, als we beseffen dat het volk dat de Heer tot zijn bruid wil maken, zijn schoonheid niet begeert. Zij wil Hem niet kennen! Daarom behoren wij haar in deze tijd toe te roepen: 'vergeet uw volk en het huis van uw vader' en 'buig u voor uw koning neer' 13).
'Vergeet...' - zoals Paulus alles wat hem winst was, wat hem als versiering voor kon komen om hem aangenaam voor God te maken, voor vuilnis hield 14).
'Buig u...' - zoals wij allen onze knieën mochten buigen en zullen buigen voor Hem die ons liefheeft 15 16).
De tijd komt dat deze bruid met de heerlijkheid van haar bruidegom bekleed zal zijn. Dan zal ze ook niet meer alleen zijn. Vele jonkvrouwen, rijk beladen met geschenken, zullen in haar gevolg zijn. Deze jonkvrouwen, de wijze meisjes uit de gelijkenis van Matteüs 25:1-13 (zie hoofdstuk 5), beelden volkeren uit 17 18 19 20).
In de tijd, voorafgaand aan de bruiloft, heeft de bruid, verlangend naar haar man, voortdurend over Hem gesproken 21 22). Door dit getuigenis komen mensenmassa's, hele volken, tot geloof in de Heer 23 24). In het vrederijk, de bruiloft, nemen zij hun plaats rond bruidegom en bruid in en overladen hen met geschenken. '... volkeren zullen derwaarts heenstromen en vele natiën zullen optrekken en zeggen: Komt laten wij opgaan naar de berg des Heren, naar het huis van de God Jakobs... ' 25). '...volken... zullen van jaar tot jaar heentrekken om zich neer te buigen voor de Koning, de Here der heerscharen...' 26) '.., gij zult het vermogen der volkeren genieten...' 27).
Psalm 45 is Gods antwoord op het onvervulde verlangen naar God, de enige die het bestaan op aarde zin kan geven. Het verlangen, dat zo sterk sprak in de psalmen 42 en 43. Het is ook Gods antwoord op het gebed vanuit de verdrukking tot Hem opgezonden vanuit Psalm 44. Wat een vooruitzicht geeft de Heer aan zijn volk in de verdrukking.
Wat een voorrecht dat ook wij dit uitzicht hebben! Het is geen wonder dat de psalm begint met: 'Mijn hart trilt van blijde woorden'. Wat een vreugde is het dat je in alle mogelijke omstandigheden mag weten, dat straks alles op aarde harmonieus zal zijn. Want dan zal Hij, de schoonste onder tienduizenden, in het middelpunt van alles en allen staan...
Omdat we haast niet meer op dat moment kunnen wachten, zal ons gebed tot de Heer opstijgen: Kom, Heer Jezus 28)! Maar ook willen en kunnen we dan niet anders dan de naam van de Heer te allen tijde en aan iedereen bekend maken 29 30)!
In dit hoofdstuk willen we stilstaan bij een paar van de psalmen uit het tweede boek
der psalmen, die geschreven zijn door de Korachieten: de Psalmen 42 t/m 45. Voordat
we aan een bespreking van deze psalmen afzonderlijk beginnen, wil ik echter een aantal
algemene dingen over de psalmen zeggen.
De interpretatie van de psalmen
Het boek Psalmen is bij uitstek een dichterlijk boek. Dat betekent, dat het op
dichterlijke wijze allerlei waarheden doorgeeft. Het geeft geen leerstellige, nuchtere
beschrijving van allerlei zaken, maar veel meer de verwondering van de dichter over
de gedachte en handelwijze van God in verleden, heden en toekomst. Hoewel dat in
dichterlijke taal en met gebruikmaking van kleurrijke beelden gebeurt, schrijven
de psalmen niet, zoals moderne uitleggers ons willen doen geloven, aan God de wensen
en inzichten van de dichter toe.
Zoals zovele delen van de Bijbel, kunnen ook de Psalmen op meer dan ��n manier
toegepast worden. Voor de Psalmen betekent dit het volgende:
In de eerste plaats spreken zij over de omstandigheden van de dichter (en
eventueel zijn tijdgenoten) en (vooral) de manier waarop de dichter ��n en ander
beleeft. Psalmen waarin dit aspect voorop staat, zijn bijvoorbeeld de Psalmen 18
en 51.
In veel gevallen merken we, dat de beschrijving van de omstandigheden en
ervaringen van de dichter de menselijke ervaringen te boven gaan. Dit maakt ons
opmerkzaam op het feit, dat de dichters door de Heilige Geest, de ware auteur van
alle profetische geschriften
1),
gebruikt zijn als typen van de Heer Jezus Christus, wiens leven, lijden en strijd
worden geïllustreerd in de omstandigheden en ervaringen van de dichters. Een heel
duidelijk voorbeeld hiervan is Psalm 22, waarvan de beginwoorden door de Heer Jezus
hardop werden geciteerd in de donkere uren aan het kruis
2),
terwijl andere delen uit die Psalm in de ogenblikken daaraan voorafgaand in vervulling
gingen
345).
De gelovige herkent dikwijls in de Psalmen zijn eigen of daarmee vergelijkbare
omstandigheden. Hij put troost uit de wijze waarop de oudtestamentische gelovige zijn
strijd streed en door de Heer geholpen werd. Zo zijn bijvoorbeeld de Psalmen 23, 32
of 73 voor zeer velen tot troost en zegen.
De Psalmen bevatten tevens gedeelten, die pas ten volle begrepen kunnen worden,
als we ze zien als profetieën omtrent de toekomst van Gods verbondsvolk Israël en
de hen omringende volkeren. Zo bijvoorbeeld de Psalmen 2, 96 of 100.
De Korachieten
De psalmen 42 tot en met 49 zijn volgens de geïnspireerde opschriften geschreven door
de Korachieten, evenals overigens de Psalmen 84, 85, 87 en 88.
Wie zijn dat eigenlijk - de Korachieten?
Uit
Exodus 6:15-23
leren we, dat de Korachieten zijn voortgekomen uit het geslacht van Levi, de stam
die aan de dienst van de Heer was verbonden. Levi was de vader van o.a. Kehath;
��n van diens zonen was Jizhar, de vader van Korach. Deze Korach had op zijn beurt
drie zonen: Assir, Elkana en Abiasaf. Hun nakomelingen vormden het geslacht van de
Korachieten.
Korach zelf is op een droevige wijze aan zijn eind gekomen. Ontevreden met de positie
die de overige Levieten innamen ten opzichte van A�ron en zijn nakomelingen, de
priesters, eigende hij zich, samen met 250 anderen, het priesterschap toe, wat zij
met de dood moesten bekopen
6).
Blijkbaar zijn de zonen van Korach hun vader niet (allemaal) in zijn opstand tegen
Gods ordening gevolgd, want de 'zonen van Korach waren niet gestorven'
7).
. Zij
worden later, met name de nakomelingen van Abiasaf (in Kronieken gespeld als Ebjasaf)
genoemd als poortwachters bij de tabernakel, later de tempel, die te Jeruzalem woonden
89).
Zo is er een opmerkelijke overeenkomst tussen ons en de Korachieten. Door onze stamvader,
Adam, zouden we meegesleept worden in het oordeel over de zonde: een eeuwige dood,
voor eeuwig van God gescheiden. Maar door God begenadigd mogen we in Zijn onmiddellijke
nabijheid vertoeven. Dagelijks mogen we Hem dienen en verheerlijken.
Dit bracht de Korachieten grote vreugde, die zij in een aantal Psalmen verwoord hebben.
Mogen ook onze harten en monden de lof van de grootheid van onze God verkondigen!
Wie de Psalmen van de Korachieten doorleest, zal ontdekken dat het in die Psalmen
eigenlijk steeds gaat om de vreugde van het wonen in Jeruzalem, het ingaan in het
huis van God. Het verstoten zijn uit Jeruzalem, uit het land en uit de tegenwoordigheid
van de Heer, wordt gelijk geacht aan de dood.
Als je hierbij denkt aan het droevig lot van hun stamvader krijgt dit natuurlijk een
diepe betekenis. Maar ook hun verbondenheid met en liefde voor de tempel als
poortwachters oefent hier duidelijk invloed uit.
In dit verlangen naar Jeruzalem spreken de psalmen van de Korachieten een profetische
taal, waarin we de hartenkreet en het diepste verlangen van het volk Israël in de
tijd van verstrooiing herkennen: het verlangen naar Jeruzalem. Dat heimwee is de
eeuwen door levend gehouden in de traditionele Pesach-wens: tot volgend jaar in
Jeruzalem!
De Psalmen 42 t/m 49 vormen de inleiding tot het tweede deel van de Psalmen (Psalmen
42 t/m 72). Van oudsher is er op gewezen, dat er overeenkomsten zijn tussen dit
tweede boek der Psalmen en het tweede boek van Mozes, Exodus.
Exodus spreekt over het volk van God, dat door de Heer geleid wordt uit
Egypte. Maar deze Psalmen en met name die der Korachieten spreken van het volk Israël,
dat door de Heer geleid wordt uit alle landen, waarnaar de Heer hen verdreven heeft
10).
Mogen deze liederen spoedig werkelijkheid worden.